Bestuursprocesrecht

Deze zaak heeft betrekking op een dak- en thuislozenopvang aan de Cyclamenstraat 1 te Eindhoven. Voor de…

Rechtbank Oost-Brabant, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
26/2871
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7490
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deze zaak heeft betrekking op een dak- en thuislozenopvang aan de Cyclamenstraat 1 te Eindhoven. Voor de opvang is in 2024 een omgevingsvergunning verleend, met als voorschrift dat een beheersplan moet worden vastgesteld. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldaan aan het vergunningvoorschrift bij de totstandkoming van het beheersplan. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/2871


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2026 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

(gemachtigde: M.L.M. Lammerschop).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Deze zaak heeft betrekking op een dak- en thuislozenopvang aan de [adres] te [woonplaats] (de opvang). Voor de opvang is in 2024 een vergunning verleend, met als voorschrift dat een beheersplan moet worden vastgesteld. Het voorschrift luidt als volgt.

"Beheersplan

Er dient door vergunninghouder in overleg met de directe omgeving een beheersplan te worden opgesteld waarin nadere afspraken worden gemaakt over de beheersbaarheid. Het pand mag pas in gebruik worden genomen als huisvestingslocatie voor voormalige dak- en thuislozen nadat door vergunninghouder het beheersplan is vastgesteld en door de gemeente is goedgekeurd."

2.1.

Verzoeker heeft op 12 augustus 2026 een prematuur verzoek tot handhaving gedaan bij het college. Destijds was nog geen beheersplan vastgesteld. Verzoeker wilde van het college weten of het zou gaan handhaven als de opvang in gebruik zou worden genomen zonder vastgesteld beheersplan. Op 24 september 2026 heeft verzoeker het college in gebreke gesteld, omdat nog geen beslissing was genomen op het handhavingsverzoek. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingesteld op 25 september 2026. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het niet tijdig beslissen door het college op het handhavingsverzoek. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld in verband met het niet tijdig beslissen. Op 5 oktober 2026 heeft het college besloten tot afwijzing van het handhavingsverzoek (het primaire besluit). Het college geeft in het primaire besluit onder meer aan dat op 30 september 2026 het beheersplan is opgesteld, goedgekeurd en ondertekend. Verzoeker heeft inmiddels bezwaar ingesteld tegen het primaire besluit.

3. Een voorlopige voorziening kan uitsluitend worden getroffen indien er een hoofdzaak bij de rechter (of in bezwaar) aanhangig is. Dit is het zogenaamde formele of processuele connexiteitsvereiste. Is er geen connexe hoofdzaak (meer), dan kan geen voorziening worden getroffen en dient het verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ook dient sprake te zijn van materiële connexiteit. Dit ziet op de (inhoudelijke) samenhang tussen de bodemprocedure en hetgeen is verzocht. Het ontbreken van materiële connexiteit leidt ook tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek (in zoverre).

3.1.

Verzoeker heeft de voorlopige voorziening ingesteld, zonder een beroep ten aanzien van het niet tijdig beslissen aanhangig te maken. Ten tijde van de zitting in deze procedure was het primaire besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek genomen en was daartegen bezwaar aanhangig, zodat formeel gezien op dat moment sprake is van connexiteit. Of er ook materiële connexiteit is valt te betwijfelen, immers de voorlopige voorziening is in eerste instantie gevraagd in het kader van het niet tijdig beslissen van het college op het handhavingsverzoek. Van een beroep niet tijdig beslissen is geen sprake, zoals door verzoeker op de zitting bevestigd, en het primaire besluit gaat niet over het niet tijdig beslissen maar over de afwijzing van het handhavingsverzoek. Nadat verzoeker door de griffier in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de vraag of hij de gevraagde voorlopige voorziening wilde intrekken nu er een beheersplan en een primair besluit liggen, heeft hij aangegeven ook tegen de totstandkoming van het beheersplan bezwaren te hebben. De oorspronkelijke grondslag van de gevraagde voorlopige voorziening is daardoor materieel verschillend van het (kennelijke) bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit, althans tegen het beheersplan. Voorts vraagt verzoeker schorsing van de omgevingsvergunning. De hogerberoepsprocedure ten aanzien van de omgevingsvergunning loopt echter bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De voorlopige voorziening gaat om het handhavingsverzoek.

3.2.

Hoewel bestaan van connexiteit door de wijze van procederen van verzoeker niet duidelijk is, zal de voorzieningenrechter verzoeker hier om proceseconomische redenen het voordeel van de twijfel geven en de voorlopige voorziening inhoudelijk beoordelen. Hoewel het college zich op het standpunt stelt dat van connexiteit geen sprake is, heeft het ook inhoudelijk een standpunt ingenomen zodat een inhoudelijke beoordeling mogelijk is.

3.3.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het primaire besluit merkt de voorzieningenrechter op dat nu er een primair besluit is genomen en verzoeker daartegen bezwaar heeft ingesteld, het college een beslissing op bezwaar zal moeten gaan nemen. Verzoeker geeft (als bezwaren) aan dat het beheersplan inhoudelijk niet voldoet, het beheersplan niet kan worden goedgekeurd door het college zonder instemming/ ondertekening door de omwonenden en er overeenstemming moet zijn met de omwonenden over het beheersplan en die overeenstemming er niet is. Verder geeft verzoeker aan dat het niet aan de omwonenden ligt dat er geen overeenstemming is gekomen over het beheersplan. Ook trekt verzoeker in twijfel dat het beheersplan door het college is goedgekeurd. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker hiermee wil zeggen dat er volgens hem nog steeds sprake is van een overtreding van de omgevingsvergunning bij ingebruikname, aangezien er geen beheersplan is dat aan het vergunningvoorschrift voldoet.

3.4.

Het college stelt dat is voldaan aan het vergunningvoorschrift. Er is namelijk overleg geweest met de omwonenden en het beheersplan is vastgesteld en goedgekeurd, zoals in het voorschrift is aangegeven. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2025 in de procedure over de verlening van de omgevingsvergunning voor de opvang, stelt het college dat de omwonenden geen doorslaggevende stem hebben. De relevante rechtsoverweging luidt als volgt:

24.6.

Het college heeft voor de aanvaardbaarheid van de omgevingsvergunning aanleiding gezien om een voorwaarde in de omgevingsvergunning op te nemen over het beheersplan. In de omgevingsvergunning staat hierover: "Er dient door vergunninghouder in overleg met de directe omgeving een beheersplan te worden opgesteld waarin nadere afspraken worden gemaakt over de beheersbaarheid. Het pand mag pas in gebruik worden genomen als huisvestingslocatie voor voormalige dak- en thuisloze mensen nadat door vergunninghouder het beheersplan is vastgesteld en door de gemeente is goedgekeurd." Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende geregeld wat er in het beheersplan moet worden opgenomen, namelijk afspraken over de beheersbaarheid. Ook volgt de rechtbank het betoog van eisers niet dat de garantie ontbreekt dat het pand bij het ontbreken

van een beheersplan niet in gebruik mag worden genomen. Er is immers geregeld dat het pand pas als maatwerkvoorziening mag worden gebruikt als het beheersplan door vergunninghouder is vastgesteld en door de gemeente is goedgekeurd. De omstandigheid dat niet verder is uitgewerkt onder welke voorwaarden de gemeente akkoord gaat met het beheersplan, acht de rechtbank aanvaardbaar. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om dit verder te reguleren, omdat van de gemeente mag worden verlangd dat in ieder geval wordt bezien of het beheersplan voldoet aan de voorwaarde dat deze nadere afspraken bevat over de beheersbaarheid. Ook heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de inspraak van omwonenden hierbij voldoende is geborgd door op te

nemen dat het beheersplan in overleg met de directe omgeving moet worden opgesteld. Hiervoor is dus niet nodig dat de directe omgeving een doorslaggevende stem heeft bij het opstellen van het beheersplan. Het begrip 'directe omgeving' hoeft in dit verband naar het oordeel van de rechtbank niet verder te worden verduidelijkt. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het in dit verband om omwonenden gaat.

3.5.

De voorzieningenrechter volgt het college. Dat omwonenden een doorslaggevende stem hebben in de totstandkoming (en indirect daarmee ook op de inhoud) van het beheerplan, volgt niet uit het voorschrift, zoals ook is bevestigd in de uitspraak van de rechtbank over de vergunningverlening. De eisen die verzoeker stelt, volgen dus niet uit het vergunningvoorschrift. Het college heeft voorts tijdens de zitting bevestigd dat het beheersplan is goedgekeurd door de gemeente, de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding dat te betwijfelen.

3.6.

Alles afwegende komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldaan aan het vergunningvoorschrift bij de totstandkoming van het beheersplan. Van een overtreding van het vergunningvoorschrift is om die reden dus geen sprake. Omdat de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft te twijfelen aan de rechtmatigheid van het primaire besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek is er daarom weinig ruimte om de belangen van verzoeker mee te wegen. Verzoeker vreest overlast, maar er is dus een beheersplan. Dat de opvang op deze locatie met het vastgestelde en goedgekeurde beheersplan evident tot ernstige overlast gaat leiden, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoeker geeft voorbeelden van vermeende overlastgevende bewoners van andere opvanglocaties, maar dat zegt niet zonder meer iets over deze opvang. Tegenover de belangen van verzoeker staat het zwaarwegende algemene belang dat gediend wordt met vestiging van een opvang voor dak- en thuislozen op deze locatie.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.

griffier

Voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter is buiten staat de

de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RBOBR:2025:729