Bestuursprocesrecht

Niet-ontvankelijk, geen materiële connexiteit. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het…

Rechtbank Noord-Nederland, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
LEE 26/3280
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4454
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet-ontvankelijk, geen materiële connexiteit. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 1 juni 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Onder kennelijk wordt verstaan dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/3280


uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

en

het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst Groningen

(gemachtigde: C. Riemens)

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 1 juni 2026 ( [besluitnummer 1] ). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Onder kennelijk wordt verstaan dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

Procesverloop

2. Bij e-mailbericht verzonden op 25 februari 2026, om 12:59 heeft een medewerker van de omgevingsdienst Groningen een e-mailbericht verzonden aan de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2.1.

Met het bestreden besluit van 1 juni 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het dagelijks bestuur het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is de volgende redenering ten grondslag gelegd.

“Volgens artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het delen van de door u genoemde informatie betreft daarentegen een feitelijke handeling. De betreffende feitelijke handeling is niet gericht op enig rechtsgevolg aangezien zij niet is gericht op het doen ontstaan of tenietdoen van een bevoegdheid, recht of verplichting. Ook is geen sprake van het vaststellen van een juridische status van een persoon of zaak. Daarom kwalificeert de door u genoemde email niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en bent u in uw proforma bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk.”

3. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. In de brief van 9 augustus 2026 ( [kenmerknummer 2] ), ontvangen door de griffie van de rechtbank op 9 september 2026, staat onder meer het volgende [arcering voorzieningenrechter].

[afbeelding niet beschikbaar]

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker expliciet LEE 26/2284 BESLU heeft aangewezen als de hoofdzaak. Het beroep dat onder dat zaaknummer is ingeschreven, is gericht tegen het besluit op bezwaar van 1 juni 2026.

6. In zijn brief van 9 augustus 2026 heeft verzoeker zich met ten minste 35 verzoeken gericht tot (de voorzieningenrechter van) de rechtbank. Voor deze voorlopige voorziening is het onderstaande gedeelte van die brief van belang.

[afbeelding niet beschikbaar]

7. Bij brief van 30 september 2026 is verzoeker verzocht om zo mogelijk met stukken te onderbouwen dat er materiële connexiteit bestaat tussen zijn verzoeken en het besluit op bezwaar in de hoofdzaak.

7.1.

Bij brief van 2 oktober 2026 (kenmerk: [kenmerknummer 3] ) heeft verzoeker daarover het volgende medegedeeld [arcering voorzieningenrechter].

[afbeelding niet beschikbaar]

7.2.

Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat materiële connexiteit lijkt te ontbreken. Het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening lijkt in ieder geval niet of nauwelijks samen te hangen met de (te late en in de optiek van het dagelijks bestuur: zwakke) hoofdzaak. Ook hierom ligt niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondheid in de rede, aldus het dagelijks bestuur.

7.3.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

7.3.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in zijn brief van 2 oktober 2026 een andere hoofdzaak aanwijst, te weten LEE 26/2373 BESLU.

7.3.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde om hangende de behandeling van het oorspronkelijke verzoek een andere hoofdzaak aan te wijzen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat verzoeker de titel van een meester in de rechten in zijn correspondentie voert.

7.3.3.

De voorzieningenrechter stelt in deze procedure vast dat het besluit op bezwaar van 1 juni 2026 gaat over het antwoord op de vraag of een besluit in de zin van de Awb is genomen toen een e-mailbericht werd verzonden op 25 februari 2026 door de medewerker van de omgevingsdienst Groningen.

7.3.4.

Het betoog van verzoeker, zoals hiervoor aangehaald onder rechtsoverweging 7.1. betreft niet de hoofdzaak in deze procedure. Dat gaat over het besluit van 10 juli 2026 ( [besluitnummer 2] ). Daartegen is een ander beroep ingesteld, ingeschreven onder zaaknummer LEE 26/2373. Daaruit volgt dat daaruit niet kan blijken dat in de onderhavige voorlopige voorziening sprake is van materiële connexiteit met de hoofdzaak.

7.3.5.

Bij brief van 2 oktober 2026 ( [kenmerknummer 3] ) heeft verzoeker het volgende medegedeeld aan de voorzieningenrechter.

[afbeelding niet beschikbaar]

7.3.6.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te doen wat verzoeker vraagt. Slotsom is dat er geen materiële connexiteit is tussen de gedane verzoeken en de hoofdzaak.

Conclusie en gevolgen

8. Er is redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat materiële connexiteit ontbreekt. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen.

9. Voor teruggave van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen (artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:77, derde lid, van de Awb).

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.