Bestuursprocesrecht

Verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoek voorlopige voorziening hangende beroep. Buiten zitting afgewezen…

Rechtbank Amsterdam, 17 april 2026

Zaakgegevens

Op 17 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 april 2026
Datum publicatie
17 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1787
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3819
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoek voorlopige voorziening hangende beroep. Buiten zitting afgewezen. Spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/1787


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

1.1.

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2.

Verzoeker heeft op 19 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor pakketbezorger bij [bedrijf] . Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van
5 september 2025 afgewezen en dit besluit na bezwaar van verzoeker gehandhaafd in het betreden besluit van 16 februari 2026.

1.3.

Verzoeker heeft op 30 maart 2026 beroep ingesteld en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.4.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

2.2.

Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat hij als pakketbezorger werkzaam is binnen zijn eigen onderneming en pakketten bezorgt voor opdrachtgever [bedrijf] .

Het is noodzakelijk om binnen afzienbare tijd een VOG te overleggen anders zal hij zijn positie bij die opdrachtgever verliezen. Hij kan zijn werkzaamheden niet voortzetten, terwijl zijn lasten (zakelijk en privé) doorlopen. Desgevraagd door de voorzieningenrechter heeft verzoeker nog toegelicht dat bij uitblijven van inkomen hij zijn onderneming niet kan voortzetten. In de gehele transportbranche dient een VOG te worden overgelegd. Hij heeft geen andere diploma’s, startkwalificaties of relevante werkervaring. Bovendien brengt zijn justitiële verleden een extra moeilijkheid mee in het vinden van een baan. Daarom dient er volgens verzoeker – ook gezien de doorlooptijden bij de rechtbank – een voorlopige voorziening worden getroffen.

2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij het beroep afwacht. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker kennelijk al geruime tijd werkt voor [bedrijf] zonder VOG en niet is gebleken dat dit nu om die reden niet meer zou kunnen. Ook is niet gebleken dat hij geen werk kan verrichten buiten de transportbranche waar hij wel een VOG voor zou kunnen verkrijgen. Hier heeft de voorzieningenrechter wel uitdrukkelijk naar gevraagd. Daarnaast heeft verzoeker niet onderbouwd wat zijn vaste lasten zijn en wat zijn vermogen nog is. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.

3. De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De rechtbank zal zich evenwel inspannen om het beroep voortvarend op een zitting te behandelen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.