Bestuursprocesrecht
Verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoek voorlopige voorziening hangende bezwaar. Buiten zitting afgewezen…
Rechtbank Amsterdam, 17 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3820 · Rechtbank Amsterdam · 17 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2026-3820
Zaakgegevens
Op 17 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 april 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- 26/1792
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3820
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoek voorlopige voorziening hangende bezwaar. Buiten zitting afgewezen. Spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1792
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verzoeker heeft op 3 december 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor een chauffeurskaart (taxi) bij KIWA Register B.V. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 februari 2026 afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen op 30 maart 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat hij als taxichauffeur werkzaam is binnen zijn eigen onderneming. Het is noodzakelijk om met een nieuwe VOG weer als taxichauffeur te kunnen gaan werken. Hij kan nu namelijk geen inkomen genereren, terwijl zijn lasten (zakelijk en privé) doorlopen. Desgevraagd door de voorzieningenrechter heeft verzoeker nog toegelicht dat bij uitblijven van inkomen hij zijn onderneming niet kan voortzetten. Hij heeft geen andere diploma’s, startkwalificaties of relevante werkervaring. Ook kon hij door zijn justitiële verleden bijvoorbeeld niet starten met een opleiding tot beveiliger. Daarom dient er volgens verzoeker een voorlopige voorziening worden getroffen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de bezwaarprocedure afwacht. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat de chauffeurskaart al sinds 3 november 2025 is ingetrokken. Hij heeft niet onderbouwd wat zijn vaste lasten zijn en wat zijn vermogen nog is. Bovendien is het niet kunnen voortzetten van zijn onderneming ook niet onderbouwd. Verzoeker heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen ander werk kan verrichten om geld te verdienen totdat op het bezwaar is beslist. De mededeling dat hij niet heeft kunnen starten met een opleiding tot beveiliger is daarvoor onvoldoende. Voor zover verzoeker stelt dat het lang duurt voordat verweerder een beslissing op bezwaar neemt, wijst de voorzieningenrechter er op dat daarvoor een ander rechtsmiddel beschikbaar is, te weten het indienen van een beroep niet tijdig. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.
3. De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter nog dat de aard van de zaak, het verkrijgen van een nieuwe VOG, zich hangende de bezwaarfase niet snel leent voor toewijzing van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: