Bestuursprocesrecht

Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De aangeboden opvangplek in [plaats] kan niet aangemerkt worden…

Rechtbank Amsterdam, 3 juli 2026

Zaakgegevens

Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
3 juli 2026
Datum publicatie
3 juli 2026
Zaaknummer
AMS 26/2782
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6835
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De aangeboden opvangplek in [plaats] kan niet aangemerkt worden als een woning, zodat op dit moment niet vaststaat dat verzoekster de voorwaarden heeft geschonden. Belangen van de kinderen zijn onvoldoende betrokken. Verweerder dient tot aan de beslissing op bezwaar zorg te dragen voor opvang, dan wel de bekostiging daarvan, van verzoekster en haar kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 26/2782


uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] , verweerder

(gemachtigden: mr. P.I. Algoe, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de opvang van verzoekster en haar drie kinderen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom bezwaar aangetekend en verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.2.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en bepaalt dat verweerder de bekostiging van de (nood)opvang voortzet tot de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.

Verzoekster is afkomstig uit Tanzania. Zij is op 1 juli 2024 samen met haar drie kinderen, [minderjarige 1] (9 jaar), [minderjarige 2] (8 jaar) en [minderjarige 3] (3 jaar), zonder plan, zonder geld maar met de wens op een betere toekomst voor haar kinderen, vanuit Kenia naar Nederland gekomen. De vader van de kinderen is Nederlander en woont in [plaats 1] , gemeente [gemeente] . De vader heeft de drie kinderen erkend en ten aanzien van [minderjarige 3] is hij ook van rechtswege belast met het gezag. De oudste twee kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en beschikken over een Nederlands paspoort. [minderjarige 3] beschikt nog niet over een Nederlands paspoort. Toen verzoekster met de kinderen in Tanzania en Kenia woonde heeft de vader hen tot augustus 2023 altijd financieel onderhouden. Hij was er niet van op de hoogte dat eiseres met de kinderen naar Nederland zou komen.

2.2.

Verzoekster heeft de eerste periode na binnenkomst in Nederland met de kinderen rondgezworven. Zij kon niet terecht in Ter Apel en ook op andere plekken waar zij aanklopte voor hulp vond zij geen toereikende hulp. Via Veilig Thuis is JBRA betrokken geraakt en is gezocht naar een passende plek voor verzoekster en haar kinderen. Verweerder heeft, uit coulance, de bekostiging van die passende plek op zich genomen. Op

9 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een eerder verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verweerder - in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door Raad voor de Kinderbescherming over het perspectief van de kinderen - de bekostiging van de opvang voortzet tot 3 december 2024.

2.3.

Op 17 december 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat verweerder verantwoordelijk is voor verzoekster en haar kinderen en heeft een verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat verweerder tot drie maanden na die uitspraak zorg diende te dragen voor opvang, dan wel de bekostiging daarvan, van verzoekster en haar kinderen. Vervolgens heeft verweerder op 23 mei 2025 verzoekster en haar kinderen een tijdelijke opvangplek aangeboden in een Oekraïneopvang in [plaats 1] voor de duur van één jaar, te weten van 23 mei 2025 tot 23 mei 2026.

2.4.

Op 7 april 2026 heeft verweerder verzoekster een opvangplek aangeboden bij [stichting] in [plaats 2] . Verzoekster heeft dit aanbod afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 april 2026 heeft verweerder de noodopvang van verzoekster en haar kinderen beëindigd per 23 mei 2026. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.

Tegelijkertijd had verzoekster op 10 september 2024 een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) bij de gemeente Amsterdam. Deze aanvraag is met het besluit van 14 januari 2025 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar ingediend. Op 20 februari 2026 vond een hoorzitting plaats en is afgesproken dat er een nieuwe screening door de GGD zou plaatsvinden in het kader van de zelfredzaamheid van verzoekster. Deze screening heeft op 6 mei 2026 plaatsgevonden. Hangende deze bezwaarprocedure heeft verzoekster ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.6.

De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken om een voorlopige voorziening behandeld op de zitting van 4 juni 2026. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op

zitting geschorst in afwachting van de uitslag van de screening door de GGD. Partijen hebben afgesproken dat verzoekster met haar kinderen vanaf maandag 8 juni 2026 tot begin juli 2026 in een hotel in de omgeving van de school van de kinderen blijft op kosten van verweerder. Ook is afgesproken dat verweerder tijdens de schorsing informatie over de opvang in [plaats 2] aan de voorzieningenrechter zal sturen.

2.7.

Met het besluit van 26 juni 2026 heeft de gemeente Amsterdam de aanvraag voor begeleid thuis voor gezinnen afgewezen op basis van de nieuwe screening door de GGD. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Tevens heeft verweerder op 30 juni 2026 nadere informatie over de opvang in [plaats 2] aan de voorzieningenrechter toegezonden.

2.8.

Op 2 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op zitting hervat. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, M. Nyembo als tolk Swahili, de gemachtigden van verweerder en [persoon] namens de gemeente Amsterdam.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op de zitting is afgesproken dat de voorzieningenrechter op dit moment alleen een voorlopig oordeel geeft over de vraag of verweerder de opvang van verzoekster en haar kinderen mocht beëindigen. De voorlopige voorziening tegen het afwijzende besluit van de gemeente Amsterdam in het kader van maatschappelijke opvang, zal op een nader te bepalen moment worden behandeld.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de noodopvang van verzoekster en haar kinderen in de Oekraïneopvang beëindigd per 23 mei 2026 omdat verzoekster zich volgens verweerder niet heeft gehouden aan de voorwaarden die zijn gesteld bij de plaatsing in de opvang. Bij aanvang van de plaatsing van verzoekster en haar kinderen in de Oekraïneopvang is met verzoekster overeengekomen dat zij haar medewerking zou verlenen aan het aanvaarden van een andere opvang- of woonvoorziening zodra deze beschikbaar zou komen. Verweerder heeft op 7 april 2026 verzoekster een opvangplek aangeboden bij [stichting] in [plaats 2] , met uitzicht op een vaste woning binnen zes tot twaalf maanden na plaatsing. Daarbij is tevens aangegeven dat de huur van deze opvangplek gedurende de eerste drie maanden door verweerder wordt voldaan. Verzoekster heeft dit aanbod afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het weigeren van opvang en/of woonruimte een grond vormt voor directe beëindiging van de tijdelijke opvang in de Oekraïneopvang. Daarnaast stelt verweerder dat de overeengekomen tijdelijke opvangperiode per 23 mei 2026 zou eindigen.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op 23 mei 2025 is verzoekster met verweerder een aantal niet vrijblijvende voorwaarden overeengekomen waaraan verzoekster zich dient te houden tijdens haar verblijf in de opvang. Deze voorwaarden staan opgesomd in de brief van 23 mei 2025. De relevante voorwaarden luiden als volgt:

- U reageert wekelijks op minimaal vijf (5) woningen via woningnet bij verschillende

gemeenten, waaronder gemeenten waar een grotere kans is op het verkrijgen

van woonruimte;

- U staat bij minimaal vijf (5) gemeenten ingeschreven bij woningnet als

woningzoekende;

- Wanneer u een woning vindt en deze beschikbaar is, dient u deze te accepteren.

Verweerder heeft de opvang beëindigd omdat verzoekster de opvangplek in [plaats 2] heeft geweigerd. De vraag die voorligt is of verzoekster daarmee de voorwaarden heeft geschonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staat op dit moment niet vast dat verzoekster de voorwaarde daadwerkelijk heeft geschonden. Uit de combinatie van voorwaarden leidt de voorzieningenrechter af dat onder een woning moet worden verstaan een permanente woning, die wordt aangeboden via een gemeente. De opvangplek in [plaats 2] is in een particuliere instelling. Weliswaar begrijpt de voorzieningenrechter dat eiseres, in tegenstelling tot in de regio Amsterdam, in [plaats 2] relatief snel in aanmerking kan komen voor een zelfstandige woning in [plaats 2] , maar dat neemt niet weg dat de opvangplek in [plaats 2] iets anders is dan een woning zoals bedoeld in de voorwaarden. Daarbij komt dat van de kant van verzoekster andere bezwaren tegen deze opvangplek in [plaats 2] zijn opgeworpen. Deze bezwaren dienen in de bezwaarprocedure verder te worden onderzocht. Voorlopig is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze opvangplek in [plaats 2] niet aangemerkt kan worden als een woning, zodat op dit moment niet vaststaat dat verzoekster de voorwaarden heeft geschonden.

6. Ook het enkel verlopen van de termijn van een jaar is onvoldoende om geen enkele opvang meer aan verzoekster te bieden. De voorzieningenrechter leest de afspraken zo dat de opvang op deze plek sowieso eindigde op 23 mei 2026, maar dat betekent niet dat verweerder daarna geen andere plek zou hoeven aanbieden.

7. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit en verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van de beëindiging van de opvang voor de kinderen. Hierbij is van belang dat de vader van de kinderen, die in [plaats 1] woont, nu een belangrijke rol speelt. Hij ziet de kinderen meerdere keren per week. Dat is belangrijk voor de kinderen, maar is ook belangrijk om verzoekster te ontlasten. Verweerder dient dit in bezwaar nader te onderzoeken en mee te wegen.

8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder tot aan de beslissing op bezwaar zorg dient te dragen voor opvang, dan wel de bekostiging daarvan, van verzoekster en haar kinderen. Een en ander laat onverlet dat verweerder, zij het met een warme overdracht, ook binnen deze periode een andere gemeente bereid kan vinden de zorg voor het gezin, met alle daarbij komende aspecten, over te nemen.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en twee keer aan een zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe en bepaalt dat verweerder de bekostiging van de (nood)opvang voortzet tot de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Zaaknummer AMS 25/2994. Zaaknummer AMS 26/3897. Zaaknummer AMS 26/3927.