Bestuursprocesrecht

Verzoek om voorlopige voorziening. Verklaring omtrent gedrag. Bezwaarfase. Geen spoedeisend belang. Geen…

Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
AMS 26/3926
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7595
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening. Verklaring omtrent gedrag. Bezwaarfase. Geen spoedeisend belang. Geen acute financiele nood. Ook geen grond voor spoed in andere omstandigheden. Besluit ook niet evident onrechtmatig. Afwijzen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/3926


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van der Woude).

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.2.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat onvoldoende is gebleken van een spoedeisend belang. Bovendien is het besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.

Verzoeker heeft op 7 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een VOG voor een chauffeurskaart (taxi) bij [bedrijf 1] Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juni 2026 afgewezen.

2.2.

Verzoeker heeft hiertegen op 2 juli 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.

Verweerder heeft op 14 juli 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. E.K.A. Tchitembo namens de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3.2.

Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat hij als taxichauffeur is aangenomen bij [bedrijf 2] en dat hij uiterlijk op 3 augustus 2026 een VOG moet kunnen overleggen. Verzoeker heeft dus een aanbod gekregen voor een fulltime baan als taxichauffeur maar zal dat aanbod verliezen als hij niet op tijd een VOG kan overleggen. Hij heeft ook voor meerdere andere functies gesolliciteerd, maar zonder resultaat omdat hij er telkens tegenaan loopt dat om een VOG wordt gevraagd. Verzoeker heeft zonder VOG geen inkomstenbron, terwijl hij hoge vaste lasten heeft en kampt met een huurachterstand en een achterstand heeft op de betaling van zijn zorgverzekering. Verzoeker probeert zich na een moeilijke periode weer positief te ontwikkelen. Hij heeft er juist energie ingestoken om als taxichauffeur aan de slag te gaan door de daarvoor benodigde diploma’s te halen. Zonder VOG verliest hij de kans om die energie te verzilveren met een functie als taxichauffeur bij [bedrijf 2] .

3.3.

Verweerder heeft het spoedeisend belang gemotiveerd betwist.

3.4.

De voorzieningenrechter is – met verweerder – van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een acute financiële noodsituatie. Op de zitting heeft verzoeker zijn standpunt met betrekking tot de financiële druk ook genuanceerd. Hij heeft al een jaar geen inkomsten en leent sindsdien geld van familie en vrienden om zijn lasten te voldoen. Verzoeker heeft daarbij ook aangegeven dat hij theoretisch wel ander werk zou kunnen doen, bijvoorbeeld als vakkenvuller, maar dat dit demotiverend voor hem is, omdat hij als taxichauffeur wil gaan werken omdat hij daar zijn diploma’s voor heeft gehaald.

3.5.

De voorzieningenrechter acht het positief dat inmiddels anderhalf jaar is verstreken sinds verzoeker een delict heeft gepleegd. Verzoeker is de goede weg ingeslagen, ook door de ambitie om werk te willen doen wat hem leuk lijkt en daarvoor de benodigde diploma’s te halen. De voorzieningenrechter ziet echter op dit moment geen spoedeisend belang waardoor verzoeker de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten. Allereerst is daarvoor van belang dat verzoeker zijn financiële situatie op een andere manier kan oplossen, bijvoorbeeld door het aannemen van ander werk waarvoor geen of een andere VOG is vereist. Daarnaast is het feit dat hij thans tot 3 augustus 2026 de tijd heeft gekregen om een VOG te overleggen voor een baan bij [bedrijf 2] onvoldoende voor een niet-financieel spoedeisend belang. Verzoeker heeft namelijk niet onderbouwd dat dit de enige mogelijkheid zou zijn om taxichauffeur te worden. Niet valt in te zien dat verzoeker na de bezwaarfase niet alsnog bij een (andere) werkgever als taxichauffeur kan gaan werken. De stelling van verzoeker dat er tegen die tijd minder vacatures zullen zijn, is niet onderbouwd. Verder is het belang van verzoeker dat hij op dit moment niet de door hem gewenste functie kan uitoefenen geen uitzonderlijk belang, maar iets dat in iedere VOG-zaak aan de orde is.

3.6.

Voor zover verzoeker stelt dat het lang duurt voordat verweerder een beslissing op bezwaar neemt, wijst de voorzieningenrechter erop dat daarvoor een ander rechtsmiddel beschikbaar is, te weten het indienen van een beroep niet tijdig.

3.7.

Op basis van bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de bezwaarprocedure afwacht. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.

4.1.

Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij alleen een voorlopige voorziening treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Verzoeker heeft binnen de terugkijktermijn meerdere justitiële contacten gehad. Door de rechtbank is hij op 16 juli 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Dat hij daarvan in hoger beroep is gegaan, betekent niet dat verweerder deze veroordeling niet bij zijn besluit heeft mogen betrekken. Daarnaast heeft verzoeker voor verkeersfeiten in 2023 twee strafbeschikkingen gekregen. Verder had verzoeker ten tijde van het bestreden besluit nog een openstaande zaak met vier feiten in de pleegperiode van 28 juni 2024 tot en met
22 januari 2025 op zijn naam. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij in deze zaak op 8 juli 2026 door de politierechter van drie feiten is vrijgesproken. Wel is hij veroordeeld tot een geldboete van € 250,- vanwege witwassen. Hoewel verweerder deze nieuwe omstandigheden zal moeten meewegen in de beslissing op bezwaar, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vrijspraak het besluit niet evident onrechtmatig maakt gelet op de overige veroordelingen binnen de terugkijktermijn.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht.