Bestuursprocesrecht
Vovo bomenkap. Vgh heeft voor zitting en tijdens de zitting toegezegd geen gebruik te zullen maken van de…
Rechtbank Amsterdam, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8115 · Rechtbank Amsterdam · 5 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2026-8115
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/3987
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8115
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo bomenkap. Vgh heeft voor zitting en tijdens de zitting toegezegd geen gebruik te zullen maken van de verleende kapvergunning tot op het bezwaar van verzoekers is beslist. Geen spoedeisend belang. Vovo afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/3987
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. B.M. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: M.A. van Marle en A.L.J. ten Seldam).
Als derde-partij neemt aan het geding deel Stichting het Rijksmuseum van Amsterdam te Amsterdam
(gemachtigde: mr. A. Collignon).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers tegen het primaire besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het transformeren van het voormalig rioolgemaal, bijhorende tuin en Carel Willinkplantsoen tot beeldentuin aan de Ruysdaelkade 2-4 in Amsterdam.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van de derde-partij, [naam 1] (projectleider van de beeldentuin) en [naam 2] (boomdeskundige).
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” vereist dat, vooruitlopend op de behandeling van het bodemgeschil (in dit geval de bezwaarprocedure), een tijdelijke maatregel wordt getroffen.
De vergunning omvat onder meer een kapvergunning. Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd, om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van de kapvergunning, voordat op het bezwaar is beslist. Een beslissing op het verzoek is echter niet meer nodig, omdat vergunninghouder voor en nogmaals op de zitting heeft toegezegd geen gebruik te zullen maken van de verleende kapvergunning tot op het bezwaar van verzoekers is beslist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding er aan te twijfelen dat vergunninghouder haar toezegging zal nakomen. Dat betekent dat het verzoek geen spoedeisend belang heeft en dat het daarom wordt afgewezen. De gronden die zijn aangevoerd in de bezwaarfase en die ook ten grondslag lagen aan het verzoek kunnen worden besproken tijdens de hoorzitting van 27 augustus 2026.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.