Bestuursprocesrecht
Verzoeken om voorlopige voorziening. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Preventieve lasten onder dwangsom…
Rechtbank Amsterdam, 20 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8380 · Rechtbank Amsterdam · 20 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2026-8380
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/4614, AMS 26/4845 en AMS 16/4856
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8380
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoeken om voorlopige voorziening. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Preventieve lasten onder dwangsom van € 50.000,- vanwege organiseren evenement zonder evenementenvergunning. Geen inhoudelijk oordeel over kans van slagen bezwaar. Belangenafweging. Belang van verweerder bij het waarborgen van de veiligheid van de bezoekers van het evenement weegt zwaarder dan het financiële belang van verzoekers bij het doorgaan van het evenement. Verzoeken afgewezen. Dit betekent dat de preventieve lasten onder dwangsom in stand blijven en het evenement niet mag plaatsvinden op de binnenplaats in de openlucht.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 26/4614, AMS 26/4845 en AMS 26/4856
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
20 augustus 2026 in de zaken tussen
[verzoeker 2], exploitant van [bedrijf 1], te [vestigingsplaats]
[verzoekers], vennoten van [bedrijf 2]., te [vestigingsplaats]
hierna tezamen: verzoekers
(gemachtigde: mr. D.M. Coskun)
en
[verzoeker 1], uit [woonplaats], hierna: verzoeker I
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Roelofsen, mr. M. Mulder en mr. M.A. Huizing).
Inleiding
Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de preventieve lasten onder dwangsom van € 50.000,- die verweerder heeft opgelegd aan verzoekers in verband met het houden van het evenement [evenement] op [datum] 2026 zonder evenementenvergunning.
Op 23 mei 2026 heeft verzoeker I een handhavingsverzoek ingediend bij verweerder en gevraagd om preventief op te treden tegen het evenement [evenement] op
[datum] 2026. Met het besluit van 2 augustus 2026 heeft verweerder dit handhavingsverzoek afgewezen omdat verweerder van mening was dat geen evenementenvergunning nodig was voor het evenement [evenement] aangezien sprake was van een activiteit die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk is en dat deze activiteit (voor zover het de buitenactiviteit betreft) geheel valt binnen het horecabedrijf van [bedrijf 1]. Verzoeker I heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende te bepalen dat verweerder een preventie last onder dwangsom dient op te leggen strekkende tot het achterwege laten van het evenement [evenement] voor zover daarbij versterkte muziek in de buitenlucht ten gehore wordt gebracht.
Op 7 augustus 2026 heeft verweerder verzoekers gevraagd om een evenementenvergunning aan te vragen omdat deze vergunning volgens verweerder toch wel benodigd is om (ten minste) de binnenplaats bij [bedrijf 1] bij het evenement te betrekken. Op 11 augustus 2026 hebben verzoekers kenbaar gemaakt dat zij geen aanvraag zullen doen. Met het besluit van 12 augustus 2026 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom omdat verzoekers geen aanvraag voor een evenementenvergunning hebben ingediend en deze vergunning wel benodigd is. Ook heeft verweerder met een besluit van 12 augustus 2026 de afwijzing van het verzoek tot handhaving van 2 augustus 2026 ingetrokken.
Met de bestreden besluiten van 17 en 18 augustus 2026 heeft verweerder aan verzoekers een preventieve last onder dwangsom opgelegd van € 50.000,- in verband met het houden van het evenement [evenement] op [datum] 2026 zonder evenementenvergunning. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot het schorsen van de lasten onder dwangsom tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om een voorlopige voorziening op
20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker I, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter direct op 20 augustus 2026 uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers af (AMS 26/4845 en AMS 26/4856) en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker I niet-ontvankelijk (AMS 26/4614).
Overwegingen
AMS 26/4845 en AMS 26/4856
Standpunten partijen
3. Verweerder stelt zicht op het standpunt dat voor het evenement [evenement] op [datum] 2026 een evenementenvergunning vereist is. Volgens verweerder valt het houden van evenementen met versterkte dansmuziek in de openbare lucht niet onder de reguliere bedrijfsvoering in het kader van de verleende exploitatievergunning voor een horecabedrijf. Dat betekent dat voor het evenement, voor zover zich dit afspeelt op de onoverdekte binnenplaats van [bedrijf 1], op grond van artikel 2.40, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2008 (hierna: de APV), een evenementenvergunning noodzakelijk is. Verzoekers betwisten dit standpunt en stellen dat het evenement wel onder de reguliere bedrijfsvoering valt. Volgens verzoekers is de uitzondering van artikel 2.47, tweede lid, onder d, van de APV van toepassing en is een evenementenvergunning niet noodzakelijk.
Geen inhoudelijk oordeel
4. Vanwege de korte termijnen tussen de bestreden besluiten, het indienen van de verzoeken om een voorlopige voorziening, de zitting en het plaatsvinden van het evenement, overweegt de voorzieningenrechter dat het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter zich niet leent voor een inhoudelijk oordeel over de kans van slagen van het bezwaar van verzoekers. De voorzieningenrechter zal dus geen (voorlopig) rechtmatigheidsoordeel geven over de opgelegde preventieve lasten onder dwangsom en de vraag of een evenementenvergunning noodzakelijk is. Zowel uit het dossier als de behandeling op de zitting blijkt dat het gaat om complexe materie waarin vele aspecten een rol spelen. Dit is iets dat in de bezwaarprocedure uitgebreid aan de orde kan komen. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een belangenafweging.
Belangenafweging
5. Aan de zijde van verweerder is veel mis gegaan naar aanloop van de bestreden besluiten en deze procedure. Op 23 mei 2026 heeft een eerdere editie van [evenement] plaatsgevonden op dezelfde locatie, met gebruik van de binnenplaats in de openlucht, waarbij toezichthouders van verweerder ter plaatse zijn geweest na een melding van verzoeker I. Desondanks heeft verweerder die editie niet wegens het ontbreken van een evenementenvergunning beëindigd noch in die maanden daarna kenbaar gemaakt dat deze wijze van exploitatie volgens verweerder in strijd met de APV was. Ook heeft verweerder zich in eerste instantie met het besluit van 2 augustus 2026 op het standpunt gesteld dat geen evenementenvergunning vereist was en het verzoek om handhaving van verzoeker I afgewezen. Verzoekers hebben uit deze gang van zaken afgeleid dat geen evenementenvergunning nodig was. Pas op 7 augustus 2026 heeft verweerder aan verzoekers kenbaar gemaakt dat een evenementenvergunning vereist was voor zover het evenement plaatsvindt op de binnenplaats in de openlucht. Deze gang van zaken bij verweerder en de omgang met verzoekers neemt de voorzieningenrechter verweerder kwalijk en past niet bij hoe een bestuursorgaan zich richting organisatoren dient op te stellen.
6. De voorzieningenrechter wordt nu namelijk voor een voldongen feit gesteld waarbij er een evenement is georganiseerd waarover geen beoordeling heeft kunnen plaatsvinden en waarbij geen risico’s ingeschat kunnen worden. Met name niet rondom de veiligheid van het evenement. Verweerder heeft op de zitting aangegeven risico’s te zien in het kader van de constructie van het podium, het aantal beveiligers en het aantal bezoekers. Ook is de locatie van het evenement volgens verweerder een hoog risico locatie gelet op incidenten in het verleden. Het belang van verweerder bij handhaving van de preventieve last onder dwangsom is dus het waarborgen van de veiligheid van de bezoekers van het evenement. Het belang van verzoeker I is gelegen in de geluidsoverlast die hij ondervindt van de langdurige monotone lage bastonen die het evenement veroorzaakt. Daartegenover staat het belang van verzoekers dat is gelegen in de financiële schade en reputatieschade die zij ondervinden als het evenement niet door mag gaan.
7. Als de voorzieningenrechter deze belangen tegen elkaar afweegt, dan kan zij niet anders dan het belang van de veiligheid voorrang geven. Hoe vervelend de voorzieningenrechter deze gang van zaken ook vindt voor verzoekers aangezien de impact voor hen zeer groot is. Verweerder heeft echter geen beoordeling kunnen maken van de veiligheidsrisico’s die een rol spelen bij het organiseren van een evenement maar is wel verantwoordelijk voor de beoordeling van die veiligheid. Deze veiligheidsrisico’s kunnen ook niet ondervangen worden door tijdens het evenement langs te komen zoals verzoekers hebben voorgesteld op de zitting, deze beoordeling dient vooraf gemaakt te worden. De beoordeling van het evenement is onmogelijk gemaakt omdat verzoekers ervoor hebben gekozen om, ook na het verzoek van verweerder van 7 augustus 2026, geen aanvraag te doen voor een evenementenvergunning en er dus geen stukken ter beoordeling beschikbaar zijn gesteld. Dit komt voor risico van verzoekers. Verzoekers hadden op z’n minst een begin kunnen maken met het indienen van een aanvraag. In die zin hebben verzoekers zich niet meewerkend opgesteld om in ieder geval te proberen nog zo veel mogelijk stukken bij verweerder in te dienen ter beoordeling van het evenement. Voor verweerder is daarom veel onduidelijkheid over het evenement, waaronder de bezoekersaantallen, het aantal beveiligers of de constructie van het podium. De gemachtigde van verzoekers kon hier op de zitting ook onvoldoende toelichting over geven. Dat verzoekers hierover geen informatie hebben willen verstrekken en verweerder hierdoor geen risico inschatting heeft kunnen maken van de veiligheidsaspecten, laat de balans voor de voorzieningenrechter doorslaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verweerder bij het waarborgen van de veiligheid van de bezoekers van het evenement zwaarder weegt dan het financiële belang van verzoekers bij het doorgaan van het evenement voor zover het evenement plaatsvindt op de binnenplaats. Mocht in de bodemprocedure(s) blijken dat verzoekers wel juridisch gezien gelijk hebben, dan bestaat er de mogelijkheid voor een schadeclaim bij verweerder om de schade te compenseren.
8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers daarom af. Dit betekent dat de preventieve lasten onder dwangsom in stand blijven en het evenement [evenement] niet mag plaatsvinden op de binnenplaats in de openlucht.
AMS 26/4614
9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker I niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De preventieve lasten onder dwangsom zijn opgelegd door verweerder en daarmee is tegemoetgekomen aan zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dat verzoeker I ook een last onder bestuursdwang wenst en verweerder niet voor deze modaliteit heeft gekozen, maakt niet dat verzoeker I procesbelang heeft.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers af en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker I niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
20 augustus 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: