Bestuursrecht overig

Een Amsterdammer heeft een aanvraag ingediend voor een aanvulling op zijn AOW. Deze zogenoemde AIO-aanvulling…

Rechtbank Amsterdam, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
AMS 26/5256
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10688
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Een Amsterdammer heeft een aanvraag ingediend voor een aanvulling op zijn AOW. Deze zogenoemde AIO-aanvulling is bedoeld om een onvolledig ouderdomspensioen aan te vullen tot het bijstandsminimum.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/5256


uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een AIO-aanvulling. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang en omdat het besluit naar voorlopig oordeel niet evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Verzoeker heeft op 7 juli 2026 een aanvraag ingediend voor een AIO-aanvulling. De Svb heeft deze aanvraag met het besluit van 6 augustus 2026 afgewezen, omdat verzoeker een hoger vermogen heeft dan maximaal is toegestaan voor de AIO. Het vermogen bestaat uit een woning in Turkije. Verzoeker en zijn partner hebben tegen de afwijzing bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de Svb.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken voor de partner. Omdat slechts verzoeker recht kan hebben op de AIO-aanvulling.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.

7. Verzoeker voert aan dat hij wordt geconfronteerd met een situatie waarbij hij van een fors lager bedrag per maand moet leven. Hij heeft moeite om te voorzien in zijn levensonderhoud en zijn vaste lasten te betalen. Verzoeker heeft onvoldoende middelen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in onvoldoende mate is aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker verzoekt om een AIO-aanvulling, die een onvolledig AOW-pensioen aanvult. De AOW bedraagt iets meer dan € 600,- per maand. De voorzieningenrechter heeft voor de zitting gevraagd waaruit het spoedeisend belang volgt. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd waaruit een acute, financiële noodsituatie blijkt. Hij heeft bankafschriften overgelegd waaruit meer afschrijvingen dan inkomsten blijken en een bericht van Budget Thuis waaruit blijkt dat een incasso van € 23,- van zijn rekening niet is gelukt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit onvoldoende zwaarwegend is om het vereiste spoedeisend belang aan te nemen. Daarnaast betrekt de voorzieningenrechter bij haar oordeel dat er onduidelijkheid bestaat over de financiële positie van de huwelijkspartner van verzoeker en in hoeverre binnen het huwelijk wordt beschikt over middelen die ten behoeve van verzoeker kunnen worden aangewend. Concluderend is van een acute, financiële noodsituatie niet gebleken, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.

Evident onrechtmatig besluit?

9. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarvan is sprake als zonder nader onderzoek naar de relevante feiten en het toepasselijke recht ernstig moet worden betwijfeld of de afwijzing juist is en of deze in de bodemprocedure stand zal houden.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit geval sprake is van een aanvraagsituatie. Daarom ligt de bewijslast bij verzoeker. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat hij voldoet aan de voorwaarden om een AIO-aanvulling te ontvangen.

11. Verzoeker heeft gesteld dat hij niet beschikt en redelijkerwijs kan beschikken over de woning van zijn partner, omdat de woning al voor het huwelijk is aangekocht en zij de enige rechthebbende is. De Svb gaat er daarentegen vanuit dat verzoeker mede-eigenaar is van de woning en dat hij kan beschikken over het vermogen dat de woning vertegenwoordigt. Er is niet in geschil dat de waarde van de woning, ook als deze wordt verminderd met schulden, boven de AIO-grens ligt.

12. Nu het gaat om een woning die is aangekocht door de huwelijkspartner van verzoeker, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan verzoeker om aan te tonen dat de woning niet in de gemeenschappelijke boedel valt. Het is dus aan verzoeker om aan te tonen met objectieve stukken dat de woning niet tot zijn vermogen behoort. De Svb is niet gehouden, zoals door verzoeker op de zitting gevraagd, tot onderzoek in de aanvraagfase naar de vraag of de woning op basis van het Turkse huwelijks- en vermogensrecht tot het vermogen van verzoeker behoort.

13. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Verzoeker heeft op deze bepaling gewezen en heeft betoogd dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn huwelijkspartner. Daarom zou de woning van zijn echtgenote hem niet kunnen worden tegengeworpen.

14. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake als ten minste één van hen de huwelijkse samenleving wil verbreken, ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd en ten minste één van hen deze situatie als blijvend bedoelt. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

15. Volgens de Beleidsregels ‘Huwelijk en duurzaam gescheiden leven’ (SB1002) van de verweerder worden de volgende punten onderzocht om vast te stellen of sprake is van duurzaam gescheiden leven:

- of de wil bestaat om weer te gaan samenleven;

- in welke mate de echtgenoten nog sociaal contact hebben;

- of sprake is van financiële verstrengeling;

- hoe de echtgenoten zich naar de buitenwereld presenteren; en

- of sprake is van (wederzijdse) zorg, noodzakelijke zorg uitgezonderd.

16. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van duurzaam gescheiden leven waardoor de woning niet tot het vermogen van verzoeker zou behoren. Ten eerste, omdat, voor zover verzoeker gescheiden leeft van zijn vrouw, dit niet uitsluit dat de woning nu eenmaal vanwege het toepasselijke huwelijksvermogensrecht ook aan hem toebehoort. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat uit de telefoonnotitie van 27 februari 2026 in het dossier blijkt dat de partner van verzoeker in de zomervakantie vaak naar Nederland komt en dat verzoeker jaarlijks zes tot acht weken naar Turkije gaat. Ook staat in deze telefoonnotitie dat de partner van verzoeker wellicht nadat de zoon is afgestudeerd ook naar Nederland komt om zich hier te vestigen. Verder heeft verzoeker in zijn AOW aanvraag van 19 januari 2026 opgegeven dat de partner ‘tijdelijk’ op een ander adres verblijft. Deze omstandigheden duiden niet op duurzaam gescheiden leven in bovenbedoelde zin.

17. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet dat er sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom niet worden toegewezen.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de afwijzing AIO-aanvulling in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen. Algemene Ouderdomswet.