Civiel recht overig

kort geding. vordering om kind met Down-syndroom weer toe te laten tot basisschool hangende bezwaar tegen…

Rechtbank Amsterdam, 6 februari 2019

Zaakgegevens

Op 6 februari 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 februari 2019
Datum publicatie
12 februari 2019
Zaaknummer
C/13/660789 / KG ZA 19-67
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:885
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

kort geding. vordering om kind met Down-syndroom weer toe te laten tot basisschool hangende bezwaar tegen verwijderingsbesluit. afgewezen.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningen rechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/660789 / KG ZA 19-67 AB/MAH

Vonnis in kort geding van 6 februari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres bij dagvaarding op verkorte termijn van 24 januari 2019,

advocaat mr. I.P.M. Boelens te Zeist,

tegen

de stichting

ASKO, Amsterdamse Stichting voor Katholiek Protestants-Christelijk en Interconfessioneel Onderwijs,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Keijser te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Asko worden genoemd.

1 Procedure

1.1.

[eiseres] heeft ter zitting van 30 januari 2019 gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. ASKO heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiseres] ook een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Aanwezig waren:

- [eiseres] en de vader van [minderjarige] , met mr. Boelens, en

- aan de zijde van gedaagde: [naam 1] (directeur van de school), [naam 2] (intern begeleider), [naam 3] (directeur Onderwijs & Ontwikkeling) en
[naam 4] (stafmedewerker), met mr. Keijser.

2 Feiten

2.1.

[eiseres] is de moeder van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010. [minderjarige] heeft het syndroom van Down. ASKO is het bevoegd gezag van basisschool [naam school 1] in [plaats] , waarvan [minderjarige] sinds het schooljaar 2014-2015 leerlinge is. Zij zit in groep 2.

2.2.

Bij brief van 6 december 2018 heeft ASKO aan de ouders meegedeeld van plan te zijn om [minderjarige] als leerling van [naam school 1] te verwijderen, omdat de behoefte aan ondersteuning van [minderjarige] de redelijke mogelijkheden van de school te boven gaat en daaraan in het speciaal onderwijs beter tegemoet kan worden gekomen.

2.3.

Nadat (de advocaat van) [eiseres] haar zienswijze had gegeven, dat zij uitdrukkelijk voor regulier onderwijs kiest, omdat uit al het bekende onderzoek blijkt dat kinderen met Downsyndroom het meeste baat hebben bij een leeromgeving die hen uitdaagt en dit steeds het regulier onderwijs blijkt te zijn, heeft ASKO bij brief van 7 januari 2019 aan de ouders laten weten dat [minderjarige] per 4 februari 2019 van de school zal worden verwijderd, dat zij ‘toelaatbaar’ is op een school voor speciaal onderwijs en dat zij terecht kan op een dergelijke school, namelijk SO [naam school 2] .

2.4.

Bij brief van 28 januari 2019 heeft [eiseres] bij het bestuur van ASKO bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot verwijdering. Een dergelijk bezwaar heeft geen schorsende werking. Bij brief van dezelfde datum heeft zij het geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO). De mondelinge behandeling bij de GPO is bepaald op 7 maart 2019. Het advies van de GPO moet door het bestuur van ASKO bij de heroverweging worden betrokken.

3 Geschil

3.1.

[eiseres] vordert, kort gezegd, om ASKO te veroordelen haar dochter [minderjarige] toe te laten tot basisschool [naam school 1] te Amsterdam totdat is beslist op haar bezwaar tegen het besluit tot verwijdering van [minderjarige] van die school, op straffe van dwangsommen en met veroordeling van ASKO in de proceskosten.

3.2.

Asko voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Beoordeling

4.1.

Bij de stukken bevinden zich de door deskundigen opgestelde handelingsplannen 2015/2016 en 2016/2017. Voor het schooljaar 2017/2018 is geen handelingsplan opgesteld, omdat [minderjarige] na een lange afwezigheid pas in januari 2018 weer op school kwam. Voor het lopende schooljaar is ook geen handelingsplan opgesteld, omdat ASKO de verwachting had dat [minderjarige] naar een andere school zou gaan. Verder is overgelegd het deskundigenadvies van 27 juli 2018 van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs Amsterdam Diemen, waar [minderjarige] door ASKO is aangemeld met de vraag of zij in aanmerking komt voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs.
Ten slotte zijn de voortgangsrapportages van de school van 21 en 27 september 2018 en van 5 oktober 2018 en het advies van de leerkracht van [minderjarige] van 17 december 2018 overgelegd.

4.2.

In grote lijnen komen deze rapporten erop neer dat de school de mogelijkheden binnen de basis- en extra ondersteuning optimaal heeft benut, onder meer door naast de leerkracht regelmatig speciale begeleiders voor [minderjarige] in te zetten, maar dat er desondanks weinig vooruitgang wordt gezien op de verschillende ontwikkelingsgebieden. Het Samenwerkingsverband concludeert dat het regulier basisonderwijs onvoldoende is toegerust om de intensieve begeleiding die [minderjarige] nodig heeft blijvend goed vorm te geven.

4.3.

De ouders zijn het hier niet mee eens. Dit is niet de plaats om daarover een oordeel te geven, maar bij deze stand van zaken kan wel worden vastgesteld dat het niet op voorhand zo duidelijk is dat de GPO het met de ouders eens zal zijn, dat daarop in dit kort geding vooruit kan worden gelopen.

4.4.

Blijft over de vraag of ASKO niettemin onrechtmatig handelt door niet te willen wachten op de beslissing op bezwaar, althans op het advies van de GPO, en de verwijdering nu door te zetten.

Op de zitting is nog gekeken of het mogelijk zou zijn om [minderjarige] op school te laten, in afwachting van (alleen) het dictum van het advies van de GPO, dat begin april te verwachten is. Uit de reacties van de directeur van de school en de interne begeleider, die zich beiden uiterst betrokken toonden bij het lot van [minderjarige] , bleek toen echter pas goed hoe belastend het is geweest voor zowel de leerkracht als de speciale begeleiders, maar ook voor de zeer jonge klasgenoten, om [minderjarige] in de klas te hebben. Zij hadden het er liever niet over willen hebben, maar maakten aan de hand van verschillende incidenten duidelijk dat [minderjarige] vrijwel continu 1 op 1 begeleiding nodig heeft, wil alles goed gaan. Daar komt nog bij dat het maar de vraag is of de plaats op de Heldringschool in april nog beschikbaar zal zijn.

4.5.

Onder deze omstandigheden kan ASKO niet worden verplicht (het dictum van) het advies van de GPO af te wachten. De gevraagde voorziening zal dan ook worden geweigerd. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van Asko worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Asko tot op heden begroot op € 1.619,00.

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.

type: MAH coll: LO