Civiel recht overig
Verzoek voorlopige machtiging Bopz. Toegewezen.
Rechtbank Amsterdam, 30 januari 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:1100 · Rechtbank Amsterdam · 30 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2020-1100
Zaakgegevens
Op 30 januari 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 januari 2020
- Datum publicatie
- 21 februari 2020
- Zaaknummer
- C/13 / 677482 / FA RK 19/8047
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:1100
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek voorlopige machtiging Bopz. Toegewezen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13 / 677482 / FA RK 19/8047
kenmerk: 1003294
Beschikking van 30 januari 2020 betreffende voorlopige machtiging
De officier van justitie heeft op 20 december 2019 een verzoek ingediend tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot opneming en het doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van:
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1972, [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken , waaronder een op 19 december 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van M.B.J. Soons, als bedoeld in artikel 5 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ).
Het verzoek is behandeld op de mondelinge behandeling van 30 januari 2020.
Gehoord en/of aanwezig zijn: betrokkene;
raadsman van betrokkene, mr. S.L.J. Swart te Amsterdam;
psychiater, mevrouw E. Jeger.
1 De beoordeling
Uit de overgelegde stukken, de gehouden verhoren en de verkregen inlichtingen is het volgende gebleken.
Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen gebruik te willen maken van de geboden rechtsbijstand door mr. S.L.J. Swart en diens voorstel nadien om toe te zien op de vormvereisten van de procedure. Betrokkene verzet zich tegen de voorlopige machtiging en het verblijf in een inrichting. Hij herkent zich niet in de gestelde diagnose en de gevaren die daarmee verband houden. Hoewel betrokkene benoemt dat hij met medicatie rustiger was heeft hij bezwaren tegen het gebruik van medicatie. Betrokkene vindt dat medicatie ziekmakend is. Ook hulpverlening vindt hij niet nodig. Dit samen maakt dat betrokkene hulpverlening weigert, medicatie niet langer inneemt en eigenhandig is gestopt met depotmedicatie.
De psychiater heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie. Sinds 2005 is hij bekend met psychotische klachten. Betrokkene is sindsdien herhaaldelijk gedwongen opgenomen in verband met psychotische decompensaties. Na de eerste opname was hij goed ingesteld op medicatie. Bij betrokkene is sprake van een duidelijke verslechtering wanneer de medicatie wordt verlaagd. Nu blijkt dat hij twee maanden geleden is gestopt met het gebruik van medicatie. Sindsdien is betrokkene ernstig vermagerd en is opgevallen dat zijn gedrag is veranderd (onder meer dat betrokkene in aanraking is gekomen met de politie). Betrokkene heeft beelden die niet stroken met de werkelijkheid. Vanuit deze waan gedraagt betrokkene zich agressiever en weigert hij de huur te betalen. Hierdoor ontstaat het gevaar van uit huis zetting. Betrokkene weigert zorg en heeft geen ziekte-inzicht. Zij vreest dat betrokkene maatschappelijk ten gronde zal gaan.
De rechtbank is, gelet op de inhoud van de geneeskundige verklaring en de toelichting op de mondelinge behandeling daarop van de psychiater van oordeel dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie, gevaar veroorzaakt. Dat gevaar, te weten dat betrokkene maatschappelijk ten gronde zal gaan, niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.
Bij betrokkene is onvoldoende sprake van bereidheid tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis.
De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in § 1 van hoofdstuk 2 van de Wet BOPZ.
2 De beslissing
De rechtbank:
verleent de voorlopige machtiging om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven tot en met 30 juli 2020.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Patijn, rechter, in tegenwoordigheid van G.P. Menkveld griffier, op 30 januari 2020.