Civiel recht overig
afwikkeling huwelijkse voorwaarden; afwijzing alle verzoeken wegens onvoldoende onderbouwing. Eindresultaat…
Rechtbank Amsterdam, 13 november 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:7564 · Rechtbank Amsterdam · 13 november 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2020-7564
Zaakgegevens
Op 13 november 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 november 2020
- Datum publicatie
- 20 januari 2022
- Zaaknummer
- C/13/679767 / FA RK 20-714
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:7564
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
afwikkeling huwelijkse voorwaarden; afwijzing alle verzoeken wegens onvoldoende onderbouwing. Eindresultaat doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de situatie waarin partijen in de laatste jaren van hun huwelijk hebben geleefd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/679767 / FA RK 20-714
Beschikking d.d. 27 oktober 2021 betreffende de nevenvoorzieningen na echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat voorheen mr. H.L. van Toorenburg, gevestigd te Utrecht,
thans mr. D. Rezaie, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J.J. van der Heiden, gevestigd te Den Helder.
1 De verdere procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 2 december 2020;
- een F9-formulier met bijlagen van de man van 2 september 2021;
- een F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 24 september 2021;
- een F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 28 september 2021.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2020.
Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2 De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 2 december 2020. In die beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw een kinderalimentatie van € 62,- per maand aan de man dient te betalen en is de zaak aangehouden ten aanzien van de verzochte afwikkeling huwelijkse voorwaarden.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.
In deze huwelijkse voorwaarden is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
UITSLUITING GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN
Artikel 1.
1. De echtgenoten zullen gehuwd zijn buiten iedere gemeenschap van goederen
(…).
2. Ieder der echtgenoten behoudt derhalve alle goederen, welke hij of zij gedurende het huwelijk verkrijgt, terwijl voor rekening van ieder der echtgenoten blijven alle schulden, welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt en die, welke staande het huwelijk in zijn of haar persoon ontstaan (…).
KOSTEN HUISHOUDING
Artikel 3.
1. a. De kosten van de gezamenlijke huishouding der echtgenoten, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (…) komen ten laste van de inkomens der echtgenoten, naar evenredigheid daarvan.
b. Voor over de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan.
2. Het recht om verrekening te vorderen van teveel of te weinig betaalde bijdrage, vervalt na verloop van drie manden na het einde van het jaar, waarop de verrekening betrekking heeft. (…)
STAAT VAN AANBRENGSTEN EN HUWELIJKSVOLTREKKING
Voorts verklaren de verschenen personen, dat door hen ten huwelijk worden aangebracht die goederen en/of schulden als vermeld op een aan deze akte gehechte (…) beschrijving.
Aanbrengsten van de heer [de man] :
(…)
Aanbrengsten van mevrouw [de vrouw] :
(…)
vorderingen op:
(…)
- De ABN AMRO bank, terzake van het saldo van
- favorietrekening nummer: [rekeningnummer] ;
- de onverdeelde helft van de gemeenschappelijke favorietrekening met mevrouw [naam] , nummer: [rekeningnummer] ; (…);”
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt primair de man te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 49.797,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid aan de vrouw. Voorts verzoekt zij de man te veroordelen tot het betalen van een bedrag aan haar van € 70.776,-, te vermeerderen met de rente van 4%, althans de wettelijke rente vanaf de datum van de transactie van de vrouw naar de man.
Subsidiair verzoekt zij de rechtbank om de man te veroordelen aan haar een bedrag van € 120.573,- te betalen, te vermeerderen met 4% rente, dan wel de wettelijke rente vanaf de datum van de transactie tot de dag der algehele voldoening.
De man verzoekt de rechtbank de woning aan de [adres] te verdelen en te bepalen dat hem de helft van de overwaarde van dit pand toekomt na aftrek van de investering die de vrouw vanuit haar privévermogen in de woning heeft gedaan. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat de vrouw hem ontslaat uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek die op beider naam staat en verbonden is aan voormelde woning.
4 De beoordeling
Ten aanzien van de verzoeken van de vrouw
De vrouw voert ter onderbouwing van haar vordering op de man van € 49.797,- het volgende aan. Zij heeft een vordering op het saldo van de onverdeelde helft van een favorietrekening op naam van haar en haar zus. Dit staat ook zo vermeld op de staat van aanbrengsten in de huwelijkse voorwaarden. De man heeft in de periode van 17 februari 2015 tot en met 24 november 2017 voor een totaalbedrag van € 49.797,- opnames van deze rekening gedaan en dus dit totaalbedrag van het privévermogen van de vrouw onttrokken ten bate van zijn eigen privévermogen. De man dient deze bedragen aan de vrouw te vergoeden.
Ter onderbouwing van haar vordering op de man van € 70.776,- voert de vrouw het volgende aan. Zij heeft in 2005 een stamrecht BV opgericht. Bij aanvang stond een bedrag van € 89.616,- op de rekening van de stamrecht BV. Vervolgens heeft de man in de periode van 8 maart 2010 tot en met 2 mei 2016 in totaal een bedrag van € 70.776,- onttrokken ten behoeve van zijn eigen privévermogen. De man dient dit bedrag aan haar terug te betalen, te vermeerderen met een rente van 4% (omdat een stamrecht BV minimaal met 4% moet renderen).
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man voornoemde bedragen van € 49.797,- en € 70.776,- van haar heeft geleend.
Subsidiair betoogt de vrouw dat zij schade heeft geleden ter hoogte van voornoemde bedragen als gevolg van het onrechtmatig handelen van de man, nu de man zonder haar medeweten en toestemming bedragen heeft onttrokken van de bankrekening die de vrouw met haar zus heeft als ook uit haar stamrecht BV.
Meer subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat er sprake is van een vergoedingsrecht van € 120.573,-. De man heeft immers gelden aan het vermogen van de vrouw onttrokken om zijn eigen schulden te voldoen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw de primaire en secundaire grondslag van haar vorderingen ingetrokken zodat voorligt de vraag of de vrouw een vergoedingsrecht heeft jegens de man van € 120.573,-.
De man betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft. Hij betwist niet dat de opnames zijn gedaan. Wel betwist hij dat de opnames in zijn privévermogen gevloeid zijn. Ook is de vermeende vordering van € 70.776,- volgens hem niet een vordering die de vrouw toekomt. Het is een vordering van de stamrecht BV, die niet als partij in deze zaak is betrokken. De vordering is ook grotendeels verjaard omdat het opnames ten behoeve van de huishouding betreffen. Zowel zijn inkomen als dat van de vrouw is altijd geheel opgegaan aan de kosten van het huishouden. Daarnaast werden er uitgaven gedaan voor het onroerend goed van de man én de vrouw. De belasting en andere kosten die de man heeft moeten maken voor de verwerving van inkomen dienen ook uit het inkomen te worden betaald. Indien de man te kort kwam, vulde de vrouw de tekorten aan met de opnames die zij nu in een tabel heeft genoteerd en die de grondslag vormen voor het beweerdelijke vergoedingsrecht. Zo de vrouw al meer zou hebben betaald aan de kosten van de huishouding dan de man, hetgeen de man betwist, dan is de vordering tot verrekening hiervan in elk geval verjaard, aangezien het recht op verrekening vervalt na afloop van drie maanden na het einde van het jaar waarop de verrekening betrekking heeft.
Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het vergoedingsrecht van de vrouw over te gaan, maakt de rechtbank eerst een aantal algemene opmerkingen. Ten eerste wat betreft de onttrekkingen uit de stamrecht BV. Hierin volgt de rechtbank het standpunt van de man niet dat niet de vrouw maar de stamrecht BV een vordering op hem heeft. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat de BV een lening heeft verstrekt aan de man. Dit betekent dat op de vrouw als enig aandeelhouder/directeur van de stamrecht BV de verplichting rust om het saldo op de rekening-courant aan te zuiveren bij gebreke waarvan zij (en niet de man) het risico loopt hiervoor fiscaal aangeslagen te worden. De vrouw stelt dat de rekening-courant opnames ten goede zijn gekomen aan het privévermogen van de man. Als dat zo is, dan heeft de vrouw (en niet de stamrecht BV) een vergoedingsrecht jegens de man. Haar privévermogen is immers verminderd ter grootte van de rekening-courantschuld aan de stamrecht BV dan wel de fiscale aanslag die daarvoor in de plaats treedt.
Gelet op het vorenstaande gaat het beroep door de man op de verjaringstermijn van geldvorderingen ook niet op. Immers, niet de BV maar de vrouw stelt een vordering tot betaling jegens de man in. Voor echtgenoten geldt op grond van artikel 3:320 BW en 3:321 BW een verlengde verjaringstermijn van zes maanden na de datum van ontbinding van het huwelijk. De vrouw heeft haar verzoek tijdig ingesteld.
Tot slot wijst de rechtbank op het volgende. Artikel 1:87 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien er een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden tussen de vermogens van de echtgenoten, er een vergoedingsrecht ontstaat ten laste van de ene echtgenoot en ten gunste van de andere echtgenoot. Het doet er echter niet toe of de betreffende opname is gedaan van de favorietrekening die de vrouw samen met zus houdt of van de rekening-courant van de stamrecht BV. Ook is niet van belang of de man al dan niet met medeweten van de vrouw de opnames heeft gedaan. Van belang is alleen of de opnames zijn gedaan ten bate van het privévermogen van de man (standpunt van de vrouw) danwel ten bate van de huishouding (standpunt van de man). Nu de vrouw stelt een vergoedingsrecht te hebben jegens de man rust op haar de bewijslast om te onderbouwen dat de opnames aan het privévermogen van de man ten goede zijn gekomen.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat geen van beide partijen een beroep doet op artikel 3 HV waarin is bepaald dat degene die teveel heeft bijgedragen aan de kosten van huishouding het recht heeft om binnen drie maanden na afloop van het jaar een beroep op verrekening te doen. De man voert alleen aan dat de opnames niet ten bate van zijn privévermogen zijn gedaan maar ter bestrijding van de kosten van de huishouding. De rechtbank zal hierna per opname de stellingen van partijen beoordelen.
De betreffende opnames
Belastingschulden: Opnames 1 (€ 8.000,-), 7 (€ 10.000,-, 15 (€ 30.222,-), 16 (€ 4.892,-), 17 (€ 2.297,-), 18 (€ 2.986,-), 19 (€ 968,-) en 23 (€ 4.162,-)
De vrouw stelt dat de man opnames heeft gedaan van haar privévermogen om zijn privébelastingschulden te voldoen. Het betreft de volgende door haar genummerde opnames: 1 (€ 8.000,-), 7 (€ 10.000,-, 15 (€ 30.222,-), 16 (€ 4.892,-), 17 (€ 2.297,-), 18 (€ 2.986,-), 19 (€ 968,-) en 23 (€ 4.162,-).
De man stelt dat het zo zou kunnen zijn dat deze opnames zijn gedaan om belastingschulden te betalen maar dat voor hem niet te achterhalen valt om welke belastingschulden het dan gaat. De vrouw had dit onderbouwd moeten toelichten. In geen geval heeft hij er privébelastingschulden mee afgelost. Het meest waarschijnlijk is dat de opnames zijn gedaan om belastingschulden te betalen die betrekking hebben op de woonlasten (rentevoordeel van onder meer de echtelijke woning dat moest worden terugbetaald). De woonlasten vallen onder de kosten van de huishouding. Het rentevoordeel is ook aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding en de terugbetaling van het onterecht genoten rentevoordeel is daarom ook een kostenpost die onder de huishouding valt.
De rechtbank overweegt dat niet alle opnames ter terugbetaling van onterecht genoten rentevoordeel onder de kosten van de huishouding vallen, dit geldt immers alleen voor de rentebetalingen van de hypotheek op de echtelijke woning. De stelling van de vrouw dat ook de hypotheekrente van de echtelijke woning niet als kosten van de huishouding kan worden beschouwd volgt de rechtbank niet, dit zijn immers woonlasten die partijen voor hun echtelijke woning hebben moeten betalen. Of al deze genoemde belastingbetalingen betrekking hadden op de hypotheekrente van de echtelijke woning is niet duidelijk geworden. De vrouw had echter op het verweer van de man onderbouwd moeten aangeven om welke belastingschulden het volgens haar gaat en hoe de betaling ervan ten bate van het privévermogen van de man is gekomen. Nu de vrouw dit heeft nagelaten kan niet worden beoordeeld óf de man is bevoordeeld ten koste van de vrouw en zo ja, voor welk bedrag. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vergoeding van deze opnames afwijzen.
Juridische kosten: opname 2 (€ 2.500,-), 3 (€ 2.500,-), 5 (€ 1.250,-) en 9 (€ 4.716,-)
De vrouw stelt dat de man de door haar genummerde opnames 2 (€ 2.500,-), 3 (€ 2.500,-) 5 (€ 1.250,-) en 9 (€ 4.716,-)van haar privévermogen heeft gedaan om de juridische kosten te dekken die de man heeft gemaakt als bestuurder van de stichting De Nollen. De man voert verweer en stelt dat deze opnames een investering van de vrouw in privé betreffen die zij zelf heeft gedaan in het project Nollen. Het project Nollen bestond uit een stichting en een BV. De vrouw wilde destijds investeren in dit project en koos ervoor niet een bedrag van € 10.000,- ineens over te maken maar een aantal rekeningen van de stichting en de BV te betalen ter waarde van ongeveer € 10.000,-. Door deze overboekingen is dus niet de man maar het project Nollen verrijkt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw tegenover het gemotiveerde verweer van de man aangevoerd dat de neef van de man de door de vrouw geïnvesteerde bedragen aan de man heeft terugbetaald en dat de man deze bedragen niet heeft overgemaakt naar de vrouw. De vrouw onderbouwt deze stelling echter niet. Gelet op de ontkenning van deze gang van zaken door de man en het gebrek aan nadere onderbouwing door de vrouw, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vergoeding van deze kosten afwijzen.
Schulden ten bate van het onroerend goed van de man: opnames 4 (€2.500,-),6 (€3.534,-), 8 € 3.000,- ), 11 (€ 2.500,-), 20 (€ 891,-), 21 (€ 3.000,-), 22 (€ 3.000,-), 26 ( 2.472,-) en 27 ( € 4.500,-)
De door de vrouw genummerde opnames 4 (€2.500,-), 6 (€3.534,-), 8 € 3.000,-), 11 (€ 2.500,-), 20 (€ 891,-) 21 (€ 3.000,-), 22 (€ 3.000,-), 26 € 2.472,-) en 27 (€ 4.500,-) betreffen volgens haar schulden die de man is aangegaan ten behoeve van onroerend goed dat de man in zijn privé bezit heeft.
De man bestrijdt dit. Het kan volgens hem hooguit de rentebetalingen op de hypotheken van het onroerend goed van partijen betreffen. Partijen hadden op al hun onroerend goed aflossingsvrije hypotheken. Op geen van de hypotheken is afgelost. Als de opnames al zijn onroerend goed betreffen, hetgeen de vrouw niet heeft aangetoond, dan is aannemelijk dat deze opnames voor een deel of zelfs geheel de rentelasten van de hypotheek op de echtelijke woning betreffen en rentelasten van de echtelijke woning vallen onder de kosten van de huishouding. Zonder onderliggende stukken kan hij niet nagaan waar deze overboekingen betrekking op hebben. Daarnaast is het zo dat zelfs als er al een gedeelte van de overboekingen de rentelasten van de H.W. Mesdag betrof, dit dan is gebeurd omdat de rest van het inkomen en het spaargeld van partijen opging aan de kosten van de huishouding. Partijen hadden in die periode te weinig inkomsten om naast de kosten van de huishouding ook de kosten van hun bezittingen te dekken. Daarom ging alles wat partijen nog aan (huur)inkomsten ontvingen op en moesten deze extra opnames gedaan worden.
De rechtbank overweegt dat de vrouw niet heeft ontkend dat op de hypotheekschulden van de man niet werd afgelost. Daarmee is aannemelijk dat de genoemde kosten dus in ieder geval deels de hypotheekrente van de echtelijke woning, en daarmee huishoudelijke kosten, betreffen. Mede in dat licht heeft de vrouw haar stelling dat de opnames ten bate zijn gekomen aan het privévermogen van de man, niet, althans onvoldoende met stukken onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek tot vergoeding van deze opnames afwijzen.
Privéschulden van de man, de auto: opname 10 (€ 2.500,-)
De vrouw stelt dat de man de kosten van zijn auto ten laste van haar privévermogen heeft gebracht. De auto stond weliswaar op haar naam maar dat hadden partijen alleen gedaan omdat de vrouw meer schadevrije jaren had. De man was economisch eigenaar van de auto. De man voert verweer en stelt dat het de gezinsauto betrof die ook nog eens op naam van de vrouw stond zodat de vrouw in geen geval kan volhouden dat de opnames die zijn gedaan om de auto op haar naam te bekostigen ten gunste van zijn privévermogen zijn gekomen.
De rechtbank overweegt dat de vrouw ook op dit punt niet voldoende heeft onderbouwd hoe een opname voor kosten van een auto op haar naam ten bate van het privévermogen van de man is gekomen, zodat het verzoek tot vergoeding van deze kosten zal worden afgewezen.
Privéschulden van de man, aanvulling roodstanden van de man: opnames 12 (€ 1.481,-) 13 (€ 2.500,-), 14 (€ 2.400,-) en 25 (€ 1.410,-)
De vrouw stelt dat de man met deze bedragen zijn roodstanden op zijn privérekeningen heeft aangevuld. De man beaamt dat deze opnames in overleg zijn gedaan maar stelt dat dit noodzakelijk was om de kosten van de huishouding te dekken, de rente van de hypotheek te kunnen blijven betalen en een BKR registratie te voorkomen.
De rechtbank overweegt dat ook op dit punt niet is komen vast te staan of deze opnames zijn gedaan ter bestrijding van de kosten van de huishouding of ter bestrijding van privéschulden van de man. Dit komt voor het risico van de vrouw, zij had haar standpunt nader moeten onderbouwen. Om deze reden zal het verzoek van de vrouw tot vergoeding van deze opnames afwijzen.
Privéschulden van de man, overboeking naar zus [de vrouw] : opname 24 (€ 9.976,-)
De vrouw stelt dat de overboeking die is gedaan vanuit haar stamrecht BV naar de favorietrekening op naam van haar en haar zus een privéschuld van de man betreft. De man stelt dat het slechts een overboeking van de stamrecht BV naar de favorietrekening betreft omdat die rekening moest worden aangezuiverd en dat hij geen geld heeft opgenomen ten bate van zijn privévermogen.
De rechtbank overweegt dat wat ook de reden van de overboeking is, uit niets blijkt dat er geld in het privévermogen van de man is gevloeid. Ook dit verzoek zal de rechtbank afwijzen.
Inboedel
De vrouw verzoekt de rechtbank de man te veroordelen tot afgifte van inboedelgoederen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat de inboedel inmiddels is verdeeld en heeft de vrouw haar verzoek ingetrokken.
Ten aanzien van de verzoeken van de man
De rechtbank stelt allereerst vast dat de man in geen van zijn processtukken een vordering op basis van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft ingediend. De man heeft bij brief van 23 september 2020 een formulier verdelen en verrekenen ingediend, waarin een aantal te verrekenen bestanddelen worden genoemd, zonder bijbehorende bijlagen ter onderbouwing en zonder hieraan een concrete vordering te koppelen. Vervolgens heeft de man een F9 formulier ingediend op 2 september 2021 met als bijgevoegde productie een aangepast formulier verdelen en verrekenen. De rechtbank merkt hierover op dat verzoeken en vorderingen in een petitum van een processtuk moeten worden geformuleerd, met verwijzing naar producties ter onderbouwing, maar dat het niet aan de rechtbank is om uit overgelegde producties mogelijke vorderingen te destilleren. De man heeft, hiermee geconfronteerd tijdens de mondelinge behandeling, zijn vordering beperkt tot de verrekening van de woning in [plaats] . Hij heeft ter onderbouwing gesteld dat de vrouw weliswaar juridisch eigenaar is van een pand op haar naam aan de [adres] , maar dat partijen samen economisch eigenaar zijn van dit pand. De vrouw heeft dit ontkend. De rechtbank is van oordeel dat het - nog los van de vraag of de man in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door zijn verzoek op deze wijze te doen - de man zijn verzoek in elk geval onvoldoende concreet heeft gemaakt en ook onvoldoende heeft onderbouwd. De blote stelling dat hij 50% economisch eigenaar is van de woning omdat het volgens hem altijd de bedoeling van partijen is geweest om de woning in mede-eigendom te houden, zonder dat wordt toegelicht of ergens uit blijkt waarom partijen dat dan niet gedaan hebben, is onvoldoende grondslag om het verzoek van de man te kunnen toewijzen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat de bank haar heeft meegedeeld dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld kan worden ontslagen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen dit in onderling overleg regelen.
De man stelt nog dat hij voor een bedrag van € 98.510,- aan schulden heeft moeten maken omdat de vrouw sinds partijen feitelijk uiteen zijn gegaan in februari 2019 ten onrechte alle kosten van de kinderen en van de huishouding op hem heeft afgewenteld. Nu de man geen verzoeken verbindt aan deze stelling kan de rechtbank op dit punt geen beslissing nemen.
Ten slotte
De rechtbank merkt ten slotte op dat de verzoeken van beide partijen weliswaar worden afgewezen omdat zij stuk voor stuk onvoldoende zijn onderbouwd, maar dat dit gebrek aan onderbouwing en de mogelijkheid daartoe mede het gevolg is van hoe partijen de laatste jaren hebben geleefd. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen wellicht bedoeld hadden hun vermogens strikt gescheiden te houden, maar dat dat niet langer meer houdbaar was toen behalve het (arbeids)inkomen van de vrouw ook het (arbeids)inkomen van de man wegviel. Partijen moesten toen hoofdzakelijk van de huurinkomsten leven, over en weer moesten schulden worden betaald en de vermogens en uitgaven zijn op die manier vermengd geraakt. Dat mede hierdoor niet meer is te achterhalen welke bedragen waar aan zijn besteed komt is een risico dat partijen gezamenlijk moeten dragen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst alle verzoeken af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Vos, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Overmars op 27 oktober 2021. |
||
|
De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.. |
||