Civiel recht overig

Erfrecht. Afwikkeling huwelijksgemeenschap. Afwikkeling nalatenschap. Agenda om zaak te bespreken op de…

Rechtbank Rotterdam, 9 maart 2022

Zaakgegevens

Op 9 maart 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
9 maart 2022
Datum publicatie
15 maart 2022
Zaaknummer
C/10/621769 / HA ZA 21-609
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:1873
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Erfrecht. Afwikkeling huwelijksgemeenschap. Afwikkeling nalatenschap. Agenda om zaak te bespreken op de mondelinge behandeling.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/621769 / HA ZA 21-609

Vonnis van 9 maart 2022

in de zaak van

[persoon A] ,

mede als executeur van de nalatenschappen van [persoon B] en [persoon C],

wonende te [woonplaats 1] (gemeente [gemeente] ),

eiser in conventie, verweerder in reconventie, verweerder in het incident,

advocaat mr. R. Teerink te Tilburg,

tegen

1. [persoon D] ,

wonende te [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] ),

2. [persoon E],

wonende te [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] ),

gedaagden in conventie, eisers in reconventie, eisers in het incident,

advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht.

Eiser wordt hierna ‘ [persoon A] ’ genoemd, gedaagde 1 ‘moeder’ en gedaagde 2 ‘ [persoon E] ’.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met bijlagen van 6 juli 2021;

  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,

tevens conclusie van eis in het incident, met bijlagen, van 6 oktober 2021;

- de conclusie van antwoord in het incident met bijlagen van 3 november 2021.

2. De feiten

2.1.

[persoon E] en [persoon A] zijn (de enige) kinderen van [persoon B] (hierna: ‘vader) en van moeder. Vader is op 10 mei 2018 overleden.

2.2.

Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen getrouwd maar leefden vanaf enig moment gescheiden. Moeder woont sinds enkele jaren in een woonunit op het erf van [persoon E] . Het huwelijk van vader en moeder is ontbonden door de dood van vader.

2.3.

[persoon E] en [persoon A] exploiteerden een akkerbouwbedrijf: [naam eenmanszaak] . [persoon A] en [persoon E] hebben ieder de helft van de aandelen en zij zijn gezamenlijk bestuurder.

2.4.

Vader, [persoon E] en [persoon A] exploiteerden in maatschapsverband (Maatschap [naam maatschap] ) gronden voor fruitteelt.

2.5.

[naam eenmanszaak] . en de maatschap maakten voor hun bedrijfsvoering gebruik van percelen cultuurgrond die eigendom waren van vader en zijn broers: [persoon C] (hierna: ‘ [persoon C] ’) en [persoon F] .

2.6.

[persoon E] en [persoon A] kregen onenigheid en wilden daarom hun samenwerking beëindigen. Gelet hierop hebben zij allebei een eenmanszaak opgericht: [naam eenmanszaak] ( [persoon E] ) en Landbouwbedrijf [naam landbouwbedrijf] ( [persoon A] ).

2.7.

Omdat [persoon E] en [persoon A] er niet in slaagden tot overeenstemming te komen over het einde van hun samenwerking, hebben zij prof. dr. C.P. Veerman en drs. A.J. Aikema RA om bindend advies gevraagd. De bindend adviseurs hebben op 15 juli 2013 een tussentijds bindend advies aan [persoon E] en [persoon A] verstrekt. De bindend adviseurs hebben (na een kort geding en ‘dreiging’ met een bodemprocedure) op 6 februari 2015 hun eindbeslissing gegeven.

2.8.

Vader is zoals gezegd op 10 mei 2018 overleden. Hij heeft op 21 maart 2018 over zijn nalatenschap beschikt en [persoon A] , met uitsluiting van moeder en [persoon E] , tot zijn enig erfgenaam benoemd. [persoon A] is tot executeur benoemd. Aan [persoon E] is een legaat toegekend, een registergoed, in overeenstemming met het bindend advies.

2.9.

[persoon C] is op 11 januari 2019 overleden. [persoon A] is executeur van de nalatenschap van [persoon C] . [persoon C] heeft een aantal percelen landbouwgrond, tegen vergoeding van

€ 201.774,00 en een bedrag gelijk aan de vordering die [persoon E] nog op [persoon C] heeft, aan [persoon E] gelegateerd. De kantonrechter heeft [persoon E] op 21 juli 2020 een termijn van vier weken gegeven om kenbaar te maken of hij het legaat van [persoon C] aanvaardt. [persoon E] heeft deze termijn laten verlopen en wordt daarom geacht het legaat aanvaard te hebben.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

mondelinge behandeling

3.1.1.

De rechtbank bepaalt een mondelinge behandeling om de zaak met partijen te bespreken. De mondelinge behandeling vindt plaats in zowel de hoofdzaak als in het incident. Omdat moeder geen spoedeisend belang stelt bij haar vordering in het incident (wat de beheers- en gebruiksregeling betreft) en [persoon A] in ieder geval naar aanleiding van de vordering in het incident stukken heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding nu eerst een beslissing in het incident te nemen en pas daarna in de hoofdzaak. De rechtbank wil alles tegelijk met partijen bespreken.

3.1.2.

Partijen hebben veel naar voren gebracht en er is veel te bespreken. De zaak is hierna op een rijtje gezet. Het gaat, en dat is ook de agenda van de mondelinge behandeling, om de onderwerpen die hierna worden opgesomd. Voor zover hierna volgens partijen blijkt dat de rechtbank de zaak op punten niet goed begrepen heeft, kunnen zij dit op de mondelinge behandeling uiteraard aangeven. Een van de doelen van de mondelinge behandeling is dat de rechtbank goed begrijpt waar het (partijen) om gaat en daarom moet alles goed besproken kunnen worden. De rechtbank verzoekt partijen in hun pleitnota de na te melden volgorde aan te houden. Punt voor punt wordt besproken. De rechtbank begrijpt dat, gelet op het aantal onderwerpen, een pleitnota niet kort kan zijn, maar zij verzoekt partijen niettemin in hun pleitnota niet (uitgebreid) te herhalen wat al in de stukken staat.

1. (3.2.) ontbonden huwelijksgemeenschap (omvang en verdeling)

2. (3.3.) afgifte stukken

3. (3.4.) beheers- en gebruiksregeling

4. (3.5.) nalatenschap vader

5. (3.6.) nalatenschap [persoon C]

6. (3.7.) ontbinding maatschap en liquidatie besloten vennootschap

7. (3.8.) RVO

8. (3.9.) erfpacht [perceelnummer 1]

9. (3.10.) levering percelen nummer [perceelnummer 2] conclusie van antwoord

10. (3.11.) lijfrente

11. (3.12.) proceskosten

3.1.3.

[persoon A] is nog niet in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Dit kan hij op de rol van 20 april 2022 alsnog doen.

3.1.4.

De zaak wordt op de mondelinge behandeling zoals gezegd besproken maar een belangrijk onderdeel van de mondelinge behandeling is ook proberen of partijen hun geschil niet in onderling overleg op kunnen lossen.

3.1.5.

Als partijen verhinderd zijn op de te noemen datum, moeten zij dit binnen twee weken na heden meedelen en daarbij hun verhinderdata opgeven.

3.2.

ontbonden huwelijksgemeenschap

3.2.1.

[persoon A] vordert in conventie wat de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft het volgende. Voor zover dat de rechtbank op dit moment van belang lijkt om te zeggen, en om te voorkomen dat de rechtbank de zaak weer van voor af aan moet voorbereiden vlak voor de zitting, staat na de vordering alvast ‘commentaar’ van partijen of de rechtbank.

1. de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder vast te stellen conform de uiteenzetting onder nummer 42 van de dagvaarding.

2. mr. B. Sterling, notaris in Middelharnis, tot boedelnotaris te benoemen en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te bevelen ten overstaan van deze notaris, met benoeming van een onzijdig persoon die moeder zal vertegenwoordigen in het geval zij niet meewerkt aan de verdeling, en deze zaak aan te houden tot is gebleken dat de notaris de verdeling heeft kunnen effectueren.

3. te bepalen dat de kosten die gemoeid zijn met het inschakelen van de onzijdig persoon voor rekening van moeder komen en dat deze kosten bij de financiële afwikkeling verrekend moeten worden met het aandeel van moeder.

4. te bepalen dat de kosten die de notaris moet maken en verband houden met de weigering van moeder om medewerking te verlenen aan de verdeling/afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, voor rekening van moeder komen en dat deze kosten bij de financiële afwikkeling verrekend moeten worden met het aandeel van moeder.

5. te bepalen dat moeder en de nalatenschap van vader ieder gerechtigd zijn tot de helft van het vermogen van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

6. te bepalen dat de onroerende zaken die onder nummer 43 van de dagvaarding staan voor € 203.126,00 aan [persoon E] worden verkocht, dan wel deze zaken tegen een waarde van € 203.126,00 aan moeder toe te delen.

3.2.2.

Moeder en [persoon E] stemmen wat dit punt betreft vooralsnog in met het bedrag van € 203.126,00 dat [persoon A] noemt, maar wel met inachtneming van de onder de nummers 32, 33 en 34 van de conclusie van antwoord geplaatste opmerkingen. Die opmerkingen komen erop neer dat [persoon E] 3.300 m2 meer grond krijgt dan waar [persoon A] nu van uitgaat. Een bespreekpunt hierbij is de vraag of moeder, zoals zij wil, de voormalige echtelijke woning toebedeeld krijgt. Partijen gaan er nu van uit dat die woning een waarde van € 232.204,00 heeft, maar daar zit dan wel de al genoemde 3.300 m2 grond bij. De rechtbank wil met partijen in ieder geval bespreken hoe met dit punt omgegaan moet worden in het geval moeder die woning niet toebedeeld krijgt.

7. a. onder de voorwaarde dat de kwijtschelding aan [persoon A] vanwege de

bedrijfsopvolging in stand blijft, te bepalen dat in het kader van de bedrijfsopvolging een perceel grond met een oppervlakte van 4 hectare, deel uitmakend van het kadastrale perceel [perceelnummer 3] , aan [persoon E] wordt overgedragen, onder kwijtschelding van de waarde van de grond van

€ 136.056,00.

b. voor het geval de kwijtschelding aan [persoon A] vanwege de

bedrijfsopvolging niet in stand blijft, een perceel grond met een oppervlakte van 4 hectare, deel uitmakend van het kadastrale perceel [perceelnummer 3] aan moeder toe te delen.

3.2.3.

Moeder en [persoon E] lijken onder de nummers 37 en 38 van hun conclusie van antwoord wat dit punt 7 betreft (vooralsnog) geen verweer te voeren.

8. te bepalen dat het resterende deel van het kadastrale perceel [perceelnummer 3] , met een oppervlakte van 08.02.17 hectare, tegen een waarde van € 272.851,00 wordt toegedeeld aan moeder.

3.2.4.

De rechtbank gaat er op dit moment van uit dat dit perceel het perceel is dat moeder noemt onder nummer 19 onder g van haar conclusie van antwoord en dat zij, zoals zij schrijft onder nummer 41 van die conclusie, dit, zoals [persoon A] ook voorstelt, toebedeeld wil krijgen.

9. te bepalen dat het kadastrale perceel [perceelnummer 4] , groot 04.04.07 hectare, tegen een waarde van € 137.440,00 wordt toebedeeld aan moeder.

3.2.5.

Wat hiervoor is opgemerkt over punt 8, lijkt ook te gelden voor punt 9. De rechtbank gaat ervan uit dat dit perceel het is perceel is dat moeder noemt onder nummer 19 onder h van haar conclusie van antwoord.

10. te bepalen dat het onverdeelde aandeel van het kadastrale perceel [perceelnummer 5] tegen een waarde van € 0,00 aan moeder wordt toebedeeld.

3.2.6.

De rechtbank gaat ervan uit dat dit het perceel is dat moeder noemt onder nummer 19 onder d van haar conclusie van antwoord.

11. te bepalen dat de woning [adres] in Dirksland, kadastraal bekend gemeente Dirksland, [perceelnummer 6] , [perceelnummer 7] , [perceelnummer 8] en (deels, namelijk 3000 m2) [perceelnummer 3] , tegen een waarde van € 232.204,00 toebedeeld wordt aan de nalatenschap van vader.

3.2.7.

Dit punt staat ter discussie tussen partijen.

12. te bepalen dat het 1/3e bloot eigendom van de kadastrale percelen [perceelnummer 9] en [perceelnummer 10] , waarop een recht van erfpacht rust, tegen een waarde van € 150,00 wordt toebedeeld aan de nalatenschap van vader.

3.2.8.

Moeder voert wat dit punt betreft onder de nummers 51, 52 en 53 van haar conclusie van antwoord aan dat zij [perceelnummer 10] toebedeeld wil krijgen en dat [perceelnummer 9] dan toebedeeld kan worden aan de nalatenschap van vader.

13. te bepalen dat de vorderingen van € 308.011,00 worden toebedeeld aan de nalatenschap van vader.

3.2.9.

In dit bedrag zit een vordering op [persoon A] van € 300.000,00 en € 8.011,00 aan vorderingen op ASR/SVB. Moeder komt wat deze vorderingen op ASR/SVB betreft (nummer 61, 62 en 63 conclusie van antwoord) uit op een bedrag van € 8.743,00 waarvan zij vindt dat dit haar toekomt.

14. te bepalen dat de rekeningcourantschuld van € 106.705,00 van [persoon E] wordt toebedeeld aan moeder.

15. te bepalen dat de rekeningcourantschuld van € 105.639,00 aan [persoon A] wordt toebedeeld aan de nalatenschap van vader.

3.2.10.

Wat de onder 14. en 15. genoemde vorderingen betreft, gaat moeder er onder nummer 74. van haar conclusie van antwoord vooralsnog van uit dat de bedragen kloppen.

16. te bepalen dat de schulden van in totaal € 144.678,00 worden toebedeeld aan de nalatenschap van vader.

3.2.11.

[persoon A] legt als bijlage 40 een overzicht van volgens hem bestaande schulden over. Dit overzicht sluit op een bedrag van € 144.678,00. Moeder gaat hier onder de nummers 65 tot en met 71 en 73 van haar conclusie van antwoord op in. Onder nummer 71 noemt zij een nota landinrichtingsrente van € 2.929,43 maar de rechtbank ziet dit bedrag niet in bijlage 40 staan.

17. te bepalen dat de schuld van € 40.000,00 aan de nalatenschap van [persoon C] wordt toebedeeld aan de nalatenschap van vader.

3.2.12.

Moeder (nummer 72 conclusie van antwoord) kan deze schuld niet plaatsen en betwist deze daarom. In het incident wordt ook gevraagd om stukken van deze schuld.

18. te bepalen dat de inboedel in de woning [adres] in Dirksland om niet wordt toebedeeld aan de nalatenschap van vader.

3.2.13.

Moeder voert onder nummers 59 en 60 van haar conclusie van antwoord aan niet te begrijpen waarom [persoon A] deze inboedel wil. Het gaat om door haar (en vader) in de loop van de tijd gekochte inboedel die gedateerd en niets (meer) waard is. Het kabinet en de landkaart zijn kennelijk bijzondere stukken, omdat moeder deze goederen met name noemt.

19. te bepalen dat de overige, zich bij moeder bevindende inboedel, waaronder de auto, om niet aan moeder wordt toebedeeld.

3.2.14.

Moeder zegt onder nummer 64 van haar conclusie van antwoord dat de auto niets waard is en dat deze inderdaad aan haar toebedeeld kan worden. Op de ‘overige, zich bij moeder bevindende inboedel’, los van de auto, die [persoon A] nog noemt gaat moeder onder nummer 64 niet in.

20. te bepalen dat de baten en lasten, voor zover zij niet meegenomen zijn in de vermogensopstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap onder nummer 42 van de dagvaarding, vanaf het overlijden van vader toekomen aan en voor rekening komen van de deelgenoot die de desbetreffende onroerende zaken en roerende zaken krijgt toebedeeld, zonder dat in dit kader onderling nog een verrekening moet plaatsvinden, waarbij de baten en lasten betreffende de onroerende zaken die vanuit de ontbonden huwelijksgemeenschap aan [persoon E] worden overgedragen, toekomen aan en voor rekening komen van moeder.

3.2.15.

Moeder en/of [persoon E] vorderen in reconventie het volgende wat de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft:

1. de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder vast te stellen dan wel de wijze van verdeling daarvan vast te stellen.

2. partijen te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de uitvoering van de vast te stellen verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap dan wel de te gelasten wijze van verdelen en partijen te veroordelen tot het voldoen van de uit die verdeling voortvloeiende overbedelingsbedragen.

3. voor recht te verklaren dat de schenkingen aan [persoon A] van € 176.401,00 en

€ 253.599 rechtsgeldig zijn vernietigd op 5 oktober 2020 dan wel deze schenkingen te vernietigen en [persoon A] , voor zover de terugbetalingsvorderingen die hierdoor ontstaan niet betrokken zijn in de hiervoor onder 1. en 2. gevorderde verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, te veroordelen tot betaling van € 176.401,00 en € 253.599,00 aan de ontbonden huwelijksgemeenschap, met rente vanaf 5 oktober 2020, op een door moeder aan te wijzen bankrekening.

3.2.16.

Moeder en [persoon E] gaan onder de nummers 20 tot en met 30 van hun conclusie van antwoord in op deze kwestie. Zij voeren aan dat vader in zijn testament van 21 maart 2018 voor € 730.000,00 registergoederen aan [persoon A] in eigendom heeft overgedragen. De ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder heeft wat dit betreft volgens [persoon A] (de opstelling onder nummer 42 dagvaarding) nog een vordering van € 300.000,00 op hem. Resteert een bedrag van (€ 176.401,00 +

€ 253.599,00 = ) € 430.000,00.

3.2.17.

Het bedrag van € 176.401,00 betreft volgens [persoon A] een schenking ‘met toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit’. Dit betekent dat er geen schenkbelasting over hoeft te worden betaald. Dit kan volgens moeder en [persoon E] zo zijn, maar het blijft een schenking waarvoor ook moeder op grond van artikel 1:88 BW haar toestemming had moeten geven. Dit heeft zij niet gedaan en zij heeft daarom op 5 oktober 2020 op grond van artikel 1:89 BW een beroep op vernietigbaarheid van deze schenking gedaan.

Moeder en [persoon E] voeren daarnaast aan dat [persoon A] niet onderbouwt dat hij het bedrag van € 253.599,00 van vader heeft ontvangen ter compensatie van kosten, zoals hij stelt (door [persoon A] gemaakte kosten omdat [persoon E] volgens hem niet meewerkte aan splitsing van de ondernemingen). Dit is ook niet opgenomen in de onderhandse akte. Ook dit bedrag is in die akte verwoord als schenking. Ook wat dit bedrag betreft heeft moeder op 5 oktober 2020 een beroep op vernietigbaarheid van deze schenking gedaan.

Moeder en [persoon E] verwerpen het beroep op de redelijkheid en billijkheid dat [persoon A] in dit verband doet. Het gaat er volgens hen bij de toepassing hiervan niet om of een rechtsregel al dan niet redelijk is, maar of toepassing van die rechtsregel tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Daarvan is volgens moeder en [persoon E] wat dit betreft geen sprake, nog los van de vraag of een beroep op de redelijkheid en billijkheid wel van toepassing is in een familierechtelijke verhouding.

3.2.18.

Het is in ieder geval duidelijk dat moeder, [persoon E] en [persoon A] alle drie de omvang en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast willen stellen. Moeder en [persoon E] voeren aan niet te begrijpen waarom [persoon A] én vaststelling van de verdeling vordert, en wat dat betreft al een voorstel doet, én een bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap voor een notaris. [persoon A] wijst de rechtbank onder nummer 48 van zijn dagvaarding op de mogelijkheid om, voorafgaand aan de verwijzing naar de notaris, reeds concrete geschilpunten te beslechten. De onder 5. tot en met 20. ingestelde vorderingen zien daarop, op die mogelijkheid. Moeder stemt overigens niet in met verwijzing naar notaris mr. B. Sterling.

3.2.19.

De rechtbank wil, voordat de door [persoon A] voorgestelde (nummer 48 dagvaarding, laatste alinea) benoeming van een agrarisch makelaar en/of verwijzing naar een notaris aan de orde is, eerst met partijen zelf proberen tot overeenstemming over de omvang en verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te komen, al dan niet door op sommige punten de knoop door te hakken. [persoon A] geeft onder nummer 42 van de dagvaarding een overzicht van de bezittingen en schulden van de gemeenschap zoals hij ze ziet. Moeder en [persoon E] gaan daar in hun conclusie van antwoord op in en zij voegen een aantal onderwerpen toe, zoals andere banksaldi (nummers 54 en 55 conclusie van antwoord) en aanvullende schulden (nummer 75 conclusie van antwoord).

3.2.20.

[persoon A] heeft zoals gezegd onder nummer 42 van zijn dagvaarding een overzicht gemaakt van de volgens hem bestaande bezittingen en schulden. Hij ziet wellicht in hetgeen moeder en [persoon E] aanvoeren aanleiding dit overzicht te actualiseren. Door moeder en [persoon E] is geen totaaloverzicht van de omvang van de gemeenschap in het geding gebracht. De rechtbank verzoekt beide partijen aan actueel overzicht in het geding te brengen, bij voorkeur in de volgorde zoals [persoon A] dit onder nummer 42 van zijn dagvaarding heeft gedaan. Deze overzichten kunnen dan met elkaar vergeleken worden en dan blijkt wat partijen nog verdeeld houdt. Daar moet op de mondelinge behandeling dan over gesproken worden. De voornaamste geschilpunten wat de omvang en verdeling van de huwelijksgemeenschap betreft lijken op dit moment de toedeling van het huis en het beroep op vernietiging van de schenkingen aan [persoon A] van € 430.000,00 te zijn.

3.3.

afgifte stukken (in het incident)

3.3.1.

Moeder vordert in het incident [persoon A] te veroordelen tot het verstrekken aan moeder van een kopie van:

- de voorlopige en definitieve belastingaanslagen IB en ZVW betreffende het inkomen en vermogen van vader en moeder over de jaren 2013-2018;

- de stukken die ten grondslag liggen aan de door [persoon A] opgevoerde schuld van € 40.000,00 aan de nalatenschap van [persoon C] .

- de specificatie die hoort bij de factuur van WEA van 9 juni 2019.

3.3.2.

[persoon A] legt bij zijn conclusie van antwoord in het incident de stukken die moeder vraagt (nogmaals) over. Er moet besproken worden of dit voor moeder voldoende is. [persoon A] vraagt onder nummer 6 van die conclusie overigens ook om stukken (bankafschriften vanaf 2013 en stukken die de door moeder gestelde schulden aantonen).

3.4.

beheers- en gebruiksregeling (in het incident)

3.4.1.

Moeder vordert in het incident een beheers- en gebruiksregeling vast te stellen (artikel 3:168 BW), in die zin dat aan moeder wordt toegekend het uitsluitende gebruik van de woning met schuur [adres] in Dirksland, per de datum waarop vonnis gewezen wordt tot het moment waarop de woning en de schuur in het kader van de verdeling aan een van partijen worden geleverd, onder de bepaling dat [persoon A] alle sleutels van de woning en de schuur aan moeder moet afgeven, binnen vijf dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, onder de bepaling dat [persoon A] het uitsluitende gebruik door moeder van de woning en de schuur moet eerbiedigen en daar geen inbreuk op mag maken, met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [persoon A] hier niet aan voldoet.

3.4.2.

Moeder zegt terug te willen keren naar het huis waar zij 50 jaar heeft gewoond en waar zij door de houding van vader noodgedwongen heeft moeten vertrekken. In het huis staan haar spullen nog en de woonunit op het erf van [persoon E] waar zij nu woont is klein en kent vele gebreken.

3.4.3.

[persoon A] wil zijn zoon in dit huis laten wonen. Het huis staat ook al leeg sinds het overlijden van vader in 2018. De rechtbank is volgens [persoon A] overigens ook niet bevoegd om een dergelijke regeling te treffen, dat is de kantonrechter. De woning is volgens [persoon A] op dit moment ook niet bewoonbaar.

3.5.

nalatenschap vader

3.5.1.

[persoon A] vordert in conventie de erfrechtelijke aanspraken van [persoon E] in de nalatenschap van vader vast te stellen en te bepalen dat de afwikkeling hiervan plaatsvindt bij notaris mr. B. Sterling, notaris in Middelharnis, waarbij [persoon E] in het geval van afgifte van het legaat moet voldoen de verschuldigde kosten van afgifte van het legaat en de verschuldigde erfbelasting voor de verkrijging van het legaat, terwijl bij een beroep op de legitieme portie de verschuldigde erfbelasting in mindering gebracht mag worden op de verkrijging van [persoon E] .

3.5.2.

Het gaat [persoon A] wat deze vordering betreft, zoals hij schrijft onder de nummers 49 tot en met 52 van zijn dagvaarding, (met name) om het legaat van vader aan [persoon E] (een perceel grond van 4 hectare, onderdeel van [perceelnummer 3] , waarbij de waarde van deze grond van € 136.056,00 aan [persoon E] wordt kwijtgescholden), om de vraag of [persoon E] dit legaat aanvaardt en of [persoon E] een beroep doet op zijn legitieme portie.

3.5.3.

[persoon E] vordert in reconventie [persoon A] te veroordelen tot het afgeven van het door vader ten gunste van [persoon E] gemaakte legaat, inhoudende dat aan [persoon E] geleverd moet worden 04.00.00 hectare van perceel [perceelnummer 3] , met inachtneming van de bepalingen daarover in het testament van vader van 21 maart 2018, binnen veertien dagen na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [persoon A] niet aan deze veroordeling voldoet.

3.5.4.

[persoon A] en [persoon E] lijken min of meer hetzelfde te vorderen, deze vorderingen hebben in ieder geval betrekking op hetzelfde.

3.6.

nalatenschap [persoon C]

3.6.1

[persoon A] vordert in conventie [persoon E] te veroordelen om binnen zes weken na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de gelegateerde percelen grond af te nemen bij notaris mr. B. Sterling, notaris in Middelharnis, tegen betaling van een bedrag van € 201.774,00, te vermeerderen met de verschuldigde erfbelasting over deze legaten (tenzij [persoon E] aantoont de erfbelasting al betaald te hebben) en de kosten die gemoeid zijn met de afgifte van de legaten, onder kwijtschelding van de schuld van [persoon C] aan [persoon E] , met een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [persoon E] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00.

3.6.2.

Het gaat [persoon A] wat deze vordering betreft, zoals hij schrijft onder nummer 55 van zijn dagvaarding, onder andere om de vraag of [persoon E] de verschuldigde erfbelasting inmiddels heeft betaald. [persoon E] zet vraagtekens bij het door [persoon A] genoemde bedrag van € 201.774,00, verzet zich tegen benoeming van mr. B. Sterling en wijst erop dat het legaat sowieso niet afgegeven kan worden omdat het testament van [persoon C] volgens hem nietig is.

3.6.3.

Moeder en [persoon E] vorderen in reconventie het testament van [persoon C] van 10 januari 2019 nietig te verklaren.

3.6.4.

[persoon E] stelt dat het testament dat [persoon C] op 10 januari 2019, zes uur voor zijn dood volgens [persoon E] , heeft laten opmaken nietig is. [persoon C] was op die dag namelijk wilsonbekwaam om te testeren als bedoeld in artikel 3:34 lid 2 BW: hij was opgenomen in een hospice, was terminaal ziek en kreeg morfine. Zijn vorige testament was van 28 december 2018 (nog geen twee weken eerder dus). Het is ook niet [persoon C] geweest die de notaris (mr. B. Sterling) heeft verzocht te komen, maar zijn adviseur, [persoon G] , die ook adviseur van [persoon A] is. De notaris heeft het niet persoonlijk met [persoon C] over de wijziging gehad, dat heeft zijn [persoon G] voor hem gedaan. [persoon E] biedt op dit punt getuigenbewijs aan, maar volgens hem ligt het (ook) voor de hand dat de rechtbank een deskundige aanwijst om tot een oordeel te komen over de wils(on)bekwaamheid van [persoon C] op 10 januari 2019.

3.6.5.

Dit onderwerp moet besproken worden. De rechtbank vraagt zich in ieder geval af wat het betekent als het testament van [persoon C] vernietigd wordt, met andere woorden: wat bepaalt het testament van [persoon C] van 28 december 2018 voor partijen? [persoon A] gaat onder nummer 77 van de dagvaarding al in op dit punt. [persoon A] betwist dat er gronden zijn om het testament van [persoon C] te vernietigen, nog los van het feit dat de vordering tot vernietiging volgens hem is verjaard (artikel 4:54 BW).

3.7.

ontbinding maatschap en liquidatie besloten vennootschap

3.7.1.

[persoon A] vordert in conventie:

1. [persoon E] te veroordelen om binnen zes weken na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan de ontbinding van de maatschap en liquidatie van de besloten vennootschap bij notaris mr. B. Sterling, notaris in Middelharnis, met een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [persoon E] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van

€ 35.000,00, met benoeming van een onzijdig persoon die [persoon E] zal vertegenwoordigen in het geval hij binnen elf weken na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis niet aan de ontbinding en de liquidatie meewerkt, en deze zaak aan te houden tot is gebleken dat de notaris de ontbinding en de liquidatie heeft kunnen effectueren.

2. te bepalen dat de kosten die gemoeid zijn met het inschakelen van een onzijdig persoon voor rekening van [persoon E] komen.

3. te bepalen dat de kosten die de notaris moet maken en verband houden met de weigering van [persoon E] om medewerking te verlenen aan de ontbinding en de liquidatie voor rekening van [persoon E] komen.

4. te bepalen dat [persoon A] en [persoon E] ieder de helft van de schuld aan de Rabobank moeten voldoen.

5. te bepalen dat [persoon A] en [persoon E] de maatschap en de besloten vennootschap moeten afwikkelen op basis van de als bijlage 12 door [persoon A] in het geding gebrachte slotbalansen, met inachtneming van de nog door te voeren correcties (inkomsten en uitgaven) vanaf 10 mei 2018, zoals door de notaris in goede justitie vast te stellen.

6. te bepalen dat de kosten die gemoeid zijn met de ontbinding van de maatschap en de liquidatie van de besloten vennootschap voor rekening van [persoon A] en [persoon E] komen, ieder voor de helft.

3.7.2.

De besloten vennootschap en de maatschap zijn zoals [persoon A] onder nummer 58 van zijn dagvaarding stelt al jaren niet meer actief. Er moet echter nog wel formeel een einde aan de besloten vennootschap en de maatschap worden gemaakt.

3.7.3.

[persoon E] voert aan niet onwillig te zijn geweest om tot ontbinding en liquidatie over te gaan. Het is volgens hem juist [persoon A] die niet mee wil werken. Volgens [persoon E] is deze vordering te onbepaald nu [persoon A] niet aangeeft wat er concreet moet gebeuren. [persoon E] is het er mee eens dat de schuld aan de Rabobank gesplitst moet worden. De investeringen uit het verleden moeten volgens hem ook nog afgerekend worden en er moeten over en weer nog wat verrekeningen plaatsvinden.

3.7.4.

Dit punt moet op de mondelinge behandeling besproken worden. [persoon A] en [persoon E] zijn het er dus over eens dat nog een formeel einde aan de besloten vennootschap en de maatschap gemaakt moet worden. De vraag is hoe dat (praktisch) vormgegeven kan worden.

3.8.

RVO

3.8.1

[persoon A] vordert in conventie:

1. [persoon E] te veroordelen om binnen veertien dagen na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de gecombineerde opgave voor [naam eenmanszaak] . te corrigeren door aan RVO door te geven dat de percelen grond (1, 16, 17, 18, 19, 20, 30 en 31, zoals ingetekend op het door [persoon A] als bijlage 42 ingebrachte stuk) niet in gebruik zijn bij [naam eenmanszaak] ., met een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [persoon E] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00.

2. [persoon E] te verbieden de percelen grond die bij [persoon A] in gebruik zijn, bij toekomstige gecombineerde opgave op te geven als percelen grond die [naam eenmanszaak] . of hij in gebruik heeft, met een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, vermeerderd met een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,00 per overtreding.

3.8.2.

RVO staat voor Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. [persoon A] en [persoon E] moeten ieder jaar aan de RVO doorgeven welke percelen grond zij in gebruik hebben. [persoon E] geeft een en ander volgens [persoon A] niet goed door aan de RVO en [persoon A] vordert [persoon E] ertoe te veroordelen dit te corrigeren.

3.8.3.

[persoon E] betwist dat hij bij de RVO jaarlijks opgave doet voor [naam eenmanszaak] . Er is voor deze vennootschap ook geen registratieplicht meer. [persoon A] kan zelf contact opnemen met RVO als er iets gewijzigd moet worden.

3.8.4.

Dit punt lijkt een formaliteit. De rechtbank geeft partijen in overweging een en ander voor de mondelinge behandeling bij de RVO te regelen.

3.9.

erfpacht G 255

3.9.1.

Moeder en [persoon E] vorderen in reconventie [persoon A] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het op naam van [persoon E] zetten van het recht van erfpacht met betrekking tot het perceel kadastraal bekend Dirksland [perceelnummer 1] , binnen veertien dagen na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [persoon A] niet voldoet aan deze veroordeling.

3.9.2.

Moeder en [persoon E] noemen dit punt onder nummer 50 van hun conclusie van antwoord. Zij vorderen dus medewerking van [persoon A] . Aan dit recht van erfpacht kan volgens moeder en [persoon E] , gezien het bindend advies, geen waarde worden toegekend. [persoon A] heeft nog niet op dit punt kunnen reageren en mag dit alsnog in zijn conclusie van antwoord in reconventie doen.

3.10.

levering percelen nummer [perceelnummer 2] conclusie van antwoord

3.10.1.

[persoon E] vordert in reconventie [persoon A] te veroordelen tot het verlenen van medewerking om tot notariële levering te komen van de (gedeelten) van percelen genoemd onder nummer 93 van de conclusie van eis in reconventie aan [persoon E] , binnen veertien dagen na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [persoon A] niet aan deze veroordeling voldoet.

3.10.2

[persoon E] stelt met vader afspraken gemaakt te hebben over de verkoop van deze registergoederen. [persoon A] krijgt de gelegenheid op deze vordering van [persoon E] te reageren in zijn conclusie van antwoord in reconventie.

3.11.

lijfrente

3.11.1.

Moeder vordert [persoon A] te veroordelen tot voldoening aan haar van de door [persoon A] verschuldigde lijfrente, tot en met september 2021 een bedrag van € 14.957,60 en € 373,94 voor iedere daaropvolgende maand tot en met december 2026, met rente over € 14.957,60 vanaf 6 oktober 2020.

3.11.2

[naam eenmanszaak] . had volgens moeder de verplichting een lijfrente aan haar uit te keren. Deze verplichting is bij de ontbinding en de liquidatie van de vennootschap door [persoon A] overgenomen. Moeder vordert veroordeling van [persoon A] om deze lijfrente aan haar te betalen. [persoon A] kan op deze vordering reageren in zijn conclusie van antwoord in reconventie.

3.12.

proceskosten

3.12.1.

[persoon A] vordert in conventie moeder en [persoon E] te veroordelen in de kosten van de procedure. Moeder en [persoon E] vorderen ook een kostenveroordeling.

3.12.2

[persoon A] stelt wat deze vordering betreft dat het hem bekend is dat het uitgangspunt in dit soort zaken, zaken tussen familieleden, is dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt. Omdat moeder en [persoon E] volgens [persoon A] nalaten om op constructieve wijze tot een oplossing van deze zaak te komen, moet van dat uitgangspunt worden afgeweken en moeten moeder en [persoon E] veroordeeld worden in deze kosten van deze procedure, aldus [persoon A] .

3.12.3.

Moeder en [persoon E] stellen zich op het standpunt dat als er al iemand in de kosten veroordeeld moet worden, wat niet het uitgangspunt in dit soort zaken is, dat dit dan [persoon A] moet zijn omdat zijn proceshouding volgens hen verre van redelijk is.

3.12.4.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

- bepaalt dat [persoon A] ter rolle van woensdag 20 april 2022 bij conclusie van antwoord in reconventie kan reageren op de eis in reconventie;

- bepaalt dat ieder van partijen uiterlijk twee weken vóór de mondelinge behandeling een overzicht als bedoeld in 3.2.20. hierboven rechtstreeks indient bij de griffier mr. T.J. Veth (t.veth@rechtspraak.nl);

- bepaalt dat partijen op donderdag 12 mei 2022 te 9.00 uur moeten verschijnen voor de rechter die dit vonnis wijst, in het gerechtsgebouw te Dordrecht aan het Steegoversloot 36;

- bepaalt dat indien een van partijen verhinderd is alsdan te verschijnen dat ter rolle van woensdag 23 maart 2022 moet worden gemeld, zulks met opgave van de verhinderdata van beide partijen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2022.

414

type: coll: