Civiel recht overig

Verhuur schip voor opvang asielzoekers. Aansprakelijkheid na brand. Bewijsopdracht.

Rechtbank Amsterdam, 6 februari 2025

Zaakgegevens

Op 6 februari 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 februari 2025
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
11216206 \ CV EXPL 24-8877
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:11491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verhuur schip voor opvang asielzoekers. Aansprakelijkheid na brand. Bewijsopdracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

fno: 33623

Zaaknummer: 11216206 \ CV EXPL 24-8877

Vonnis van 6 februari 2025

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

ROI MIXED FLEET AG,

gevestigd te Rotkreuz (Zwitserland),

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: RMF,

gemachtigden: mrs. J.C. van Zuethem en M.L.W. Weerts,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASSIELZOEKERS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: COA,

gemachtigde: mr. J.M. Huber.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juni 2024, met producties,

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 3 oktober 2024, waarbij een mondelinge behandeling van de zaak is gelast,

- de aanvullende productie van COA,

- de akte vermeerdering van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties van RMF.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt. Op de zitting zijn namens RMF verschenen [naam 1] ( [functie 1] ), [naam 2] ( [functie 2] ), [naam 3] ( deskundige Petermann GmbH ) en een tolk Duits. Verder zijn de gemachtigden verschenen. Namens COA zijn [naam 4] (senior bedrijfsjurist) en [naam 5] ( [functie 3] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten op de zitting toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.

Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

RMF is een scheepvaartbedrijf, gespecialiseerd in de verhuur van passagiersschepen. Het COA verzorgt de opvang van asielzoekers in Nederland.

2.2.

RMF is exploitant van het schip ‘ [naam schip] ’, geregistreerd te Basel, Zwitserland, met scheepsnummer [nummer 1] (verder: het schip / [naam schip] ). De eigenaresse van [naam schip] (ROI Bellevue GmbH) heeft aan RMF een last verstrekt om de onderhavige procedure te voeren.

2.3.

RMF verhuurt [naam schip] met ingang van 15 november 2021 aan het COA. Deze overeenkomst is verschillende keren verlengd. [naam schip] was gelegen aan de Rijnkade in [plaats] en werd door het COA gebruikt als opvanglocatie voor asielzoekers. [naam schip] heeft een capaciteit voor maximaal 180 bedden.

2.4.

In de huurovereenkomst is het volgende opgenomen, voor zover hier relevant:

“ 4. Status of the Vessel

In this respect the Charterer is responsible for any damage of the ship or interior caused by or as a result of use of the ship by guests and/or employees of the Charterer on board.

(…)

5. Responsibility

The Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) is responsible for the supervision of the asylum seekers / refugees on board. COA will control which asylum seekers / refugees and which COA representatives are allowed to board the ship.

(…)”

2.5.

Op [datum 1] 2024 omstreeks 00.30 uur is brand ontstaan op [naam schip] .

2.6.

RMF heeft een schade-expertisebureau ingeschakeld. De ingeschakelde deskundige is meermaals ter plaatse geweest en heeft op 13 november 2024 een definitief schaderapport opgemaakt. In dit rapport wordt de schade begroot op € 2.636.853,--.

2.7.

Naast het schaderapport is ook een rapport opgemaakt dat zich toespitst op onderzoek naar de oorzaak van de brand. In dit rapport van 25 maart 2024 is onder andere het volgende opgenomen:

“ 3 Toedracht schade

In het kader van de bezichtiging deelde de kapitein van MPS ‘ [naam schip] ’, de heer (...) [Kapitein] , mondelinge informatie over de toedracht van de schade. Later werd deze informatie ook schriftelijk beschikbaar gesteld.

Volgens de mondeling gedeelde informatie was (...) [Kapitein] rond 1:30 uur in zijn hut op het ‘UPPER DECK’, toen de veiligheidsdienst hem via het telefoonsysteem van het schip

informeerde over een alarm in hut [nummer 2] .

De alarmmelding wees op een brandalarm. (...) [Kapitein] wekte daarop de heer (...) [matroos 1] en de heer (...) [matroos 2] , beiden matroos. Samen gingen ze naar hut [nummer 2] .

Toen ze in de gang in de buurt van hut [nummer 2] op het ‘LOWER DECK’ veel rook waarnamen, haastten ze zich richting een technische ruimte, die zich ook op het ‘LOWER DECK’ bevindt en intern ‘STORE’ wordt genoemd, om hun uitrusting voor dergelijke gevallen te halen.

In deze ruimte ‘STORE’ hadden ze daarbij een brandende rubberen handschoen waargenomen. Daarnaast was in de gang voor de ‘STORE’ een aan de wand hangend stuk papier, waarop de huisregels voor de gasten had gestaan, door vuur verwoest.

Nadat ze de brandende rubberen handschoen hadden geblust, haastten de drie bemanningsleden zich met een brandblusser richting hut [nummer 2] .

Daar werd eerst een lokale brand in een hoek van de hut geblust. Vervolgens zag (...) [Kapitein] ook een brandende handdoek, die eveneens werd geblust.

Nadat de brand in hut [nummer 2] was geblust, kwam er een gast naar hut [nummer 2] , die (...) [Kapitein] in de hut duwde, naar zijn bagage vroeg en probeerde chaos te creëren.Volgens de later toegezonden informatie zei deze persoon tegen (...) [Kapitein] dat de brand was veroorzaakt door een oplader.

Na deze ontmoeting in hut [nummer 2] werd er begonnen met de evacuatie van het schip en riep de

veiligheidsdienst via de luidspreker hiertoe op.

Vervolgens werd er een ‘full board alarm’ geactiveerd en ging de bemanning richting ‘UPPER DECK’. Daar kwam een grote rookwolk hen tegemoet. Het was onmogelijk om te ademen.

(...) [Kapitein] zag uit de richting van de brandende keuken op het ‘UPPER DECK’ twee personen komen. Volgens de verklaring van (...) [Kapitein] leken deze personen verrast toen ze hem zagen.

Na de evacuatie zorgden de gasten voor problemen met de politie. Volgens de gedeelde informatie was in het verleden vaker het brandalarm afgegaan, omdat de gasten ondanks een rookverbod zouden roken in de hutten.

(...)

De machinist, de heer (...) [machinist] , deelde schriftelijk mede dat hij in de nacht van de schade om 1:28 uur werd gewekt door een brandalarm. Hij verbleef op dit moment in hut [nummer 3] . Na de alarmmelding op zijn paneel was hij naar de machinekamer gegaan.

Omdat brandalarmen in het verleden vaker waren veroorzaakt door gasten die rookten in de hutten, ging (...) [machinist] er in eerste instantie vanuit dat het ook ditmaal om een dergelijk vals alarm ging.

Nadat (...) [machinist] in de machinekamer was aangekomen, bevestigde hij het alarm door twee specifieke schakelaars te bedienen. Daarna informeerde hij bij de receptie wat er aan de hand was. Toen was (...) [machinist] naar de tweede gang gegaan, waar hij rook zag.

Toen (...) [machinist] aankwam bij hut [nummer 2] , zag hij hoe een gast de hut wilde ingaan en door iemand werd gestopt. De gast zei dat de brand was veroorzaakt door een oplader. (...) [machinist] zag dat de brand in hut [nummer 2] op dit moment al was geblust.

Daarop zag hij de ernst van de situatie in en keerde hij terug naar de machinekamer, om alle ventilatoren te stoppen, zodat de rook niet over het hele schip zou worden verdeeld. Ook schakelde hij de brandbluspompen in.

(...)

In een schriftelijk bericht deelt bemanningslid (...) [matroos 1] mede dat hij door (...) [Kapitein] werd gewekt doordat deze op de deur van zijn hut had geklopt. Daarna wekte hij een andere matroos, met wie hij de eerste gang inging, waar hij rookontwikkeling zag.

De deur naar hut [nummer 2] stond open en binnen in hut [nummer 2] zag (...) [matroos 1] brand. Daarna

ging hij op zoek naar een brandblusser.

Toen (...) [matroos 1] de deur opende naar de technische ruimte, zag hij een brandende rubberen handschoen. Hij bluste de brand in de technische ruimte.

In de gang zag hij een door brand verwoest stuk papier met daarop een overzicht van de regels.

Vervolgens nam (...) [matroos 1] de trappen naar de tweede gang, waar hij de oproep van het veiligheidspersoneel tot evacuatie via de luidsprekers hoorde. Daarna informeerden leden van de bemanning hem over een discussie tussen de kapitein en een gast in hut [nummer 2] .

Toen (...) [matroos 1] richting de derde gang ging, zag hij veel rook en instrueerde hij iedereen

het schip te verlaten. Vervolgens ging hij naar het ‘SUN DECK’.

(...) [matroos 1] zag de brandweerlieden arriveren.

Verder deelde (...) [matroos 1] mede dat op een paneel de alarmmeldingen van de optische

rookmelders voor de ‘ [naam schip] ’ werden weergegeven. Hij zag vijf of zes meldingen knipperen.

Alle personen hadden het schip verlaten. (...) [matroos 1] zag daarbij niemand uit de richting van het restaurant komen.

(...)

In een schriftelijk bericht deelt bemanningslid (...) [matroos 2] mede dat hij door zijn collega werd geïnformeerd over de branduitbraak. Hut [nummer 2] bevond zich ongeveer 50 meter van zijn positie. Binnen drie minuten had (...) [matroos 2] hut [nummer 2] bereikt. Van daaruit ging hij richting de technische ruimte.

Daar brandde een rubberen handschoen. Deze was echter al geblust door een collega. (...) [matroos 2] zag daarnaast dat er een stuk papier in de gang ook was verbrand.

De machinist zei tegen (...) [matroos 2] dat er geen brand meer was in hut [nummer 2] . (...) [matroos 2] had alleen rook gezien, maar was niet naar de hut gegaan, omdat de machinist hem zei dat alles

OK was.

Via de luidspreker hoorde (...) [matroos 2] uiteindelijk dat er brand zou zijn in de keuken. (...) [matroos 2] rende richting de ‘bovenverdieping’ (hiermee wordt waarschijnlijk het ‘UPPER

DECK’ bedoeld) en zag daar rook. Daarna wilde hij, gezien de rookontwikkeling, de slapende bemanning wekken. Deze kwam hem echter al tegemoet en had andere vluchtelingen opgeroepen te evacueren.

Vervolgens waren ze naar boven gerend en moesten ze naar een ander schip springen, omdat het vuur al te dichtbij was.

Aan land vond er een gevecht plaats tussen de vluchtelingen, die ‘Allahu Akbar’ riepen.

(...)

Bij de bezichtiging stelde de heer [naam 6] , J&J Nautical Projects bv, een opname beschikbaar van het bedieningspaneel van de brandmeldinstallatie nadat de schade was opgetreden. Aan de hand van deze opname kan de eerste en laatste alarmmelding worden vastgesteld. Volgens deze opname vond de eerste alarmmelding plaats op het benedendek in passagiershut [nummer 2] . De laatste waarneembare alarmmelding vond plaats in ruimte [nummer 4] op het benedendek.

(...)

4 Onderzoek

Bij het onderzoek op [datum 2] 2024 werden meerdere brandgebieden op het ‘LOWER DECK’ en nog een brandgebied op het ‘UPPER DECK’ vastgesteld. Er kon geen directe ruimtelijke verbinding worden geconstateerd tussen de brandgebieden. Een uitbreiding van het ene brandgebied naar de andere brandgebieden kan worden uitgesloten.

(...)

In hut [nummer 2] op het ‘LOWER DECK’ werd een lokale brand vastgesteld in de hoek van het vertrek. Hier kon thermische schade aan houten materialen van de inbouwmeubels, aan de wand en bij de gordijnen worden geconstateerd. Het was duidelijk te zien dat in deze ruimte een brandblusser was gebruikt.

(...)

Aanwijzingen voor een op de stroomvoorziening aangesloten oplader in de directe omgeving van de ruimte waar de brand ontstond, werden niet vastgesteld.

In de ruimte waarde brand ontstond, was een rooster aanwezig in de bovenplaat van de inbouwmeubels voor de verwarming van de hut. Hier was na verwijdering van het metalen rooster een duidelijke afname van de schade richting de verwarming te zien.

Bij het onderzoek van het brandgebied in hut [nummer 2] op het ‘LOWER DECK’ kon daarom een technische schadeoorzaak worden uitgesloten.

In het andere brandgebied op het benedendek in de als ‘STORE’ aangeduide ruimte werden de resten van een verbrande rubberen handschoen op een metalen reservoir geconstateerd. (...) De verbrande resten van de rubberen handschoen werden veilig gesteld.

Ook in dit lokale brandgebied kon een technische schadeoorzaak worden uitgesloten.

In de gang voor de ‘STORE’ werden verbrande papierresten aan de wand en op de vloer waargenomen.

Een technische ontstekingsbron, die zou kunnen hebben geleid tot de ontsteking van het aan de wand hangend papier, kon worden uitgesloten.

Een branduitbreiding tussen de drie brandgebieden op het ‘LOWER DECK’ kan worden uitgesloten. (...)”

2.8.

De schriftelijke verklaringen van [Kapitein] , [matroos 1] , [machinist] en [matroos 2] , waarnaar in het schaderapport wordt verwezen, zijn door RMF in deze procedure overgelegd.

2.9.

COA heeft op 20 september 2024 aangifte bij de politie gedaan wegens brandstichting.

2.10.

COA heeft een voorschot op de herstelkosten van € 2.230.000,- voldaan.

2.11.

In artikel 7 van de huurovereenkomst tussen partijen is opgenomen dat de rechtbank Amsterdam als bevoegde instantie wordt verklaard om van enig geschil kennis te nemen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

RMF vordert, na vermeerdering van eis:

- een verklaring voor recht dat COA aansprakelijk is voor alle schade en gevolgschade die is ontstaan ten gevolge van de brand op of omstreeks [datum 1] 2024 te [plaats] aan [naam schip] ,

- veroordeling van COA tot vergoeding van de schade verband houdende met de brand, op te maken bij staat en te vereffenden volgens de wet, voor zover het buiten de hieronder reeds geconcretiseerde vorderingen valt,

- veroordeling van COA om de herstelkosten aan [naam schip] als begroot door [naam 7] te voldoen, te weten een bedrag van € 2.636.853,--, waarop in mindering gebracht mogen worden de betalingen die COA al daadwerkelijk in mindering hierop heeft voldaan aan [naam 7] , te weten € 2.230.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

- veroordeling van COA tot voldoening van de tijdverletschade van € 587.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

- veroordeling van COA tot voldoening van de kosten die zijn gemaakt ter vaststelling van de oorzaak en de omvang van de schade van in totaal € 36.642,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,

- veroordeling van COA tot voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

- veroordeling van COA in de proceskosten, met wettelijke rente.

3.2.

RMF legt aan haar vordering ten grondslag dat COA aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan aan [naam schip] als gevolg van de brand en daarom dient zij deze te vergoeden aan RMF.

3.3.

COA voert verweer. COA voert aan dat zij niet aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan aan [naam schip] als gevolg van de brand. COA concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van RMF.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Gelet op het standpunt van COA dat zij niet aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan aan [naam schip] als gevolg van de brand, vordert COA in reconventie terugbetaling van het door haar betaalde voorschot van € 2.230.000,-, dan wel terugbetaling van € 39.773,50.

5 De beoordeling

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

5.2.

Deze zaak draait om de afwikkeling van de brand die in de nacht van [datum 1] 2024 op [naam schip] heeft gewoed.

Aansprakelijkheid voor de brandschade

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is geweest van brandstichting. De vraag die partijen met name verdeeld houdt, is wie de brand heeft aangestoken en in het verlengde daarvan of het COA aansprakelijk kan worden gehouden voor de brandschade.

5.4.

Gelet op de overgelegde stukken en de door partijen over en weer ingenomen standpunten zijn er in essentie vier scenario’s te bedenken die de oorzaak van de brand kunnen vormen:

  1. een bewoner van [naam schip] (asielzoeker) of een bevoegd aanwezige bezoeker heeft de brand aangestoken;

  2. een medewerker van het COA heeft de brand aangestoken;

  3. een medewerker van RMF heeft de brand aangestoken;

  4. de brand is aangestoken door een onbevoegd aanwezige derde.

5.5.

In het geval vast komt te staan dat er sprake is van scenario 1 of 2, dan is het COA daar in beginsel – gelet op het bepaalde in artikel 4 van de huurovereenkomst – voor aansprakelijk. In het geval er sprake is van scenario 4 is het COA daar in beginsel ook voor aansprakelijk, omdat het COA op grond van artikel 5 van de huurovereenkomst verantwoordelijk is voor – kort gezegd – de beveiliging van [naam schip] en in dit scenario kan worden aangenomen dat het COA in die taak tekort is geschoten. In het geval vast komt te staan dat er sprake is van scenario 3 kan in ieder geval geen aansprakelijkheid van het COA worden aangenomen.

5.6.

Toewijzing van de vorderingen van RMF is slechts mogelijk indien, naar de regels van het civiele bewijsrecht, vast komt te staan dat de oorzaak van de brand voor rekening en risico van het COA moet komen (met andere woorden, dat vast komt te staan dat sprake is van de hiervoor geschetste scenario’s 1, 2 of 4). De bewijslast hiervoor rust op grond van artikel 150 Rv op RMF.

5.7.

De kantonrechter acht echter voorshands bewezen dat COA aansprakelijk kan worden gehouden voor de brandschade. RMF heeft gelet op het brandschaderapport en de door haar bemanning afgelegde verklaringen, zodanig sterke aanwijzingen naar voren gebracht dat de brand is aangestoken door één van de asielzoekers of door een door COA zelf gecontroleerde en tot het schip toegelaten gast, dat deze conclusie gerechtvaardigd is. Uit de thans beschikbare stukken volgt geen enkele aanwijzing dat de brand zou zijn aangestoken door een medewerker van RMF, waardoor dit scenario op dit moment het minst waarschijnlijk voorkomt.

5.8.

De kantonrechter laat COA toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat zij aansprakelijk kan worden gehouden voor de brandschade.

Begroting van de schade

5.9.

De schade die RMF in deze procedure vordert valt grofweg uiteen in vier onderdelen, de herstelkosten, de tijdverletschade, de kosten van de vaststelling van de schade en de (buiten)gerechtelijke kosten.

5.10.

COA heeft op alle schadeonderdelen verweer gevoerd. Ten aanzien van de tijdverletschade, komt het verweer van COA erop neer dat RMF een te magere onderbouwing heeft gegeven voor het bestaan van deze schade. De bewijslast en het bewijsrisico ten aanzien van het bestaan van deze schadepost ligt bij RMF. RMF zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om nader bewijs te leveren van haar stelling dat zij tijdverletschade heeft geleden ter hoogte van € 587.500,-.

5.11.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1.

laat COA toe om tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte stelling dat zij aansprakelijk kan worden gehouden voor de brandschade,

6.2.

draagt RMF op te bewijzen hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.10. is geformuleerd,

6.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van donderdag 6 maart 2025 voor uitlating door RMF en COA of zij (tegen)bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

6.4.

bepaalt dat, als RMF en COA geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,

6.5.

bepaalt dat, als RMF en COA getuigen willen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden maart 2025 tot en met juli 2025 dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.6.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.H.J. Evers, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,

6.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,

6.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025.