Ondernemingsrecht
Opzegging bankrelatie. Voor de medewerking van eiseres was het niet voldoende om de vragen beperkt te…
Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10576 · Rechtbank Amsterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/ondernemingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-10576
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/780037 / HA ZA 25-1805
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Ondernemingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E. Acda-Vanoka, mr. M.E.G. Murris
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10576
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Opzegging bankrelatie. Voor de medewerking van eiseres was het niet voldoende om de vragen beperkt te interpreteren en kort te beantwoorden, zelfs als een vraag daarmee letterlijk gesproken beantwoord zou zijn geweest. Eiseres heeft onvoldoende medewerking verleend om het klantonderzoek te kunnen afronden. In 2016 is een strafrechtelijk onderzoek bevolen tegen haar bestuurder wegens beroepsmatige mensensmokkel, valsheid in geschrift, vervaardiging en gebruik van valse reisdocumenten en witwassen. Eiseres heeft nooit inhoudelijke informatie over het strafrechtelijk onderzoek gegeven. De ernst van de verdenking en de mogelijkheid dat de bankrekeningen bij de bank in verband daarmee voor witwassen zijn gebruikt maken het evident dat de bank meer informatie en documenten over het strafrechtelijk onderzoek nodig heeft, waaronder bijvoorbeeld het vonnis. De gegeven uitleg is volstrekt onvoldoende.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/780037 / HA ZA 25-1805
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. E. Acda-Vanoka,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.E.G. Murris.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 1 december 2025 met producties,
de conclusie van antwoord met producties,
het tussenvonnis waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 7 september 2026 en de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] (eisende partij) voert een onderneming voor het aannemen en uitvoeren van werk en voor het bemiddelen en plaatsen van medewerkers in de tuinbouw en de agrarische sector. Doorlopend heeft zij 300 tot 350 werknemers uitgezonden bij diverse afnemers. Via [bedrijf 1] B.V. was [naam 1] de bestuurder.
[eiser] heeft een zakelijke betaalrekening en een Grekening bij ING (gedaagde partij). Op de dienstverlening zijn de algemene bankvoorwaarden van toepassing.
In 2019 en 2021 heeft ING vragen gesteld over het gebruik van de bankrekeningen. Vanaf 2023 heeft zij een klantonderzoek verricht naar [eiser] , [bedrijf 1] en [naam 1] . In dat kader heeft zij bij brieven en emails van 24 maart, 27 juni, 16 augustus, 29 september, 30 oktober, 10 november en 22 november 2023 vragen gesteld. [eiser] heeft eerst vier keer verzocht om uitstel en vervolgens op 21 augustus, 9 november en 13 november 2023 antwoorden gegeven. Op 4 december 2023 heeft haar advocaat weer om uitstel gevraagd en bezwaar gemaakt tegen de gestelde vragen.
Op 18 januari 2024 heeft ING aan [eiser] laten weten dat zij de bankrelatie beëindigde met ingang van 18 april 2024. Op 28 januari en 4 april 2024 heeft [eiser] daartegen bezwaar gemaakt en op 22 mei 2024 heeft zij een klacht ingediend. [eiser] heeft vervolgens aangekondigd haar bedrijfsactiviteiten op 1 mei 2025 te willen overdragen aan [naam 2] . ING heeft de overdracht willen afwachten, maar deze is uiteindelijk niet doorgegaan.
Op 6 juni 2025 heeft ING een overzicht gegeven van vragen die zij nog beantwoord wilde hebben. Op 1 juli 2025 heeft [eiser] daarop gereageerd. Op 13 augustus 2025 heeft ING haar besluit om de bankrelatie te beëindigen gehandhaafd en [eiser] voor zeven jaar opgenomen in haar intern verwijzingsregister (ivr). Wel heeft zij toegezegd met de daadwerkelijke beëindiging te wachten tot de afloop van de onderhavige procedure.
Als redenen voor beëindiging heeft ING opgegeven:
[eiser] is verdachte in het strafrechtelijke onderzoek [naam onderzoek] , waarbij voor € 740.000,- beslag is gelegd voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar [eiser] heeft geen inzage gegeven in de verdenking;
de bestemming van contante opnames is onduidelijk;
in de afgelopen jaren is ruim € 1,4 miljoen overgeboekt naar de privérekening van [naam 1] en [eiser] heeft hiervoor tegenstrijdige verklaringen gegeven;
diverse transacties zijn onvoldoende verklaard;
[naam 1] stort regelmatig contant geld en daarbij is vooral een storting van € 14.450,- opvallend en onvoldoende verklaard;
afspraken ten aanzien van verschillende leningen worden niet nageleefd; en
er wordt niet voldaan aan fiscale regels.
3 De vordering
[eiser] vordert in deze procedure een veroordeling met een dwangsom om de dienstverleningsovereenkomst met betrekking tot de zakelijke betaalrekening te blijven nakomen, met inachtneming van de bancaire zorgplicht, en haar dienstverlening en bankrelatie voort te zetten.
[eiser] legt daaraan ten grondslag dat zij alle vragen van ING inhoudelijk, uitputtend en onderbouwd heeft beantwoord, maar dat ING steeds met nieuwe vragen kwam. Zij vindt niet duidelijk welke elementen precies onvoldoende inzichtelijk blijven. Ook vraagt ING naar informatie die inmiddels soms meer dan tien jaar oud is. Als er nog vragen zijn verzoekt [eiser] om ze in deze procedure te mogen beantwoorden. [eiser] wijst erop dat ING verplicht is met haar belangen rekening te houden en dat zij met name een Grekening niet bij een andere bank kan openen. Anderzijds heeft ING volgens [eiser] niet uitgelegd waarom zij een reëel integriteits- of reputatierisico loopt.
ING voert verweer en concludeert dat de vorderingen moeten worden afgewezen. De rechtbank gaat hierna in op de argumenten van partijen.
4 De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat ING een relatie met een klant in beginsel mag opzeggen. In het algemeen geldt dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd opzegbaar zijn. In dit geval bepaalt bovendien artikel 35 van de algemene bankvoorwaarden dat ING de relatie kan opzeggen. Opzegging mag echter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het is aan [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die in haar geval tot die conclusie leiden.
Daarvoor gaat het er niet alleen om welke problemen de opzegging voor [eiser] meebrengt, maar weegt anderzijds het belang van ING mee om geen klant te hoeven houden die zij niet wenst. Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moest ING onderzoek verrichten dat haar in staat stelt om het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie met [eiser] vast te stellen (artikel 3 lid 2 onder c). Als ING dat onderzoek niet kan afronden moet zij de klantrelatie met [eiser] beëindigen (artikel 5 lid 3). Los daarvan heeft een bank een maatschappelijke verantwoordelijkheid bij het signaleren van mogelijke financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Ook heeft zij er belang bij om risico’s voor haar eigen reputatie te kunnen overzien.
Voor de gevorderde instandhouding van de klantrelatie neemt de rechtbank alle ontwikkelingen in aanmerking tot aan de dag van de mondelinge behandeling in deze procedure (ex nunc). De gevorderde instandhouding geldt immers voor de toekomst. Anderzijds zijn toezeggingen van het bestuur van [eiser] over de toekomst niet relevant voor de vraag of ING het klantonderzoek heeft kunnen afronden.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] onvoldoende medewerking heeft verleend om het klantonderzoek te kunnen afronden.
In 2017 heeft de Inspectie SZW van het ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid conservatoire beslagen gelegd onder ING ten laste van [eiser] , [bedrijf 1] en [naam 1] . Uit de beslagstukken blijkt dat in 2016 een strafrechtelijk onderzoek is bevolen tegen [naam 1] wegens beroepsmatige mensensmokkel, valsheid in geschrift, vervaardiging en gebruik van valse reisdocumenten en witwassen.
ING heeft daar vervolgens steeds vragen over gesteld. Al op 22 november 2023 vroeg zij: “Wat is de huidige status van dit strafrechtelijke onderzoek? Graag ontvangen wij onderliggende bewijsstukken. Indien er al een uitspraak is gedaan, ontvangen wij daar graag een kopie van. Wat is de reden dat u verdacht wordt of werd van deze strafbare feiten?”
Inhoudelijke informatie over het strafrechtelijk onderzoek heeft [eiser] echter nooit gegeven. Pas bij brief van 1 juli 2025 heeft zij bevestigd dat zij strafrechtelijk wordt vervolgd en dat er getuigenverhoren zijn gepland. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat er uiteindelijk een veroordeling is gekomen voor valsheid in geschrift vanwege niet uitbetaalde vakantiegelden. Dit zou inmiddels volledig zijn hersteld. Er zou alleen nog een onderzoek lopen voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de jaren 2014 tot 2017.
De rechtbank oordeelt dat deze enkele opmerkingen voor ING onvoldoende zijn om het klantonderzoek te kunnen afronden. De ernst van de verdenking en de mogelijkheid dat de bankrekeningen bij ING in verband daarmee voor witwassen zijn gebruikt maken het evident dat ING meer informatie en documenten over het strafrechtelijk onderzoek nodig heeft, waaronder bijvoorbeeld het vonnis. De gegeven uitleg is volstrekt onvoldoende. Zo is onduidelijk waarom een verkeerde boeking van vakantiegelden valsheid in geschrift zou opleveren en welk wederrechtelijk verkregen voordeel er nog zou zijn als de vakantiegelden inmiddels allemaal zouden zijn uitbetaald.
Daar komt bij dat [eiser] wisselend heeft verklaard over de contante opnamen en de overboekingen naar de privérekening van [naam 1] . Op 4 april 2024 heeft [eiser] gezegd dat deze waren bestemd voor familie, vrienden en de aankoop van luxegoederen. Op 1 juli 2025 heeft zij in algemene zin gezegd dat het bij de contante opnamen ging om betalingen van salarissen en zakelijke investeringen en bij de privérekening om casinobezoek. Op zichzelf kunnen beide redenen naast elkaar bestaan, maar dan is de eerste uitleg van [eiser] zeer onvolledig geweest. De latere uitleg is maar voor een klein deel met documenten toegelicht. Dit is in het licht van het eerdere antwoord en het lopende strafrechtelijke onderzoek onvoldoende.
De geldstromen van en naar de Belgische groepsmaatschappij [eiser] zijn eveneens onvoldoende toegelicht. In de jaren 2016 tot 2019 heeft [eiser] € 640.446,25 ontvangen van [eiser] en € 401.350,- overgeboekt naar [eiser] . Dit geld is naar haar zeggen afkomstig van de verkoop van vastgoed, maar onduidelijk is gebleven hoe dit vastgoed dan was gefinancierd.
Ook hier is evident dat ING voor het klantonderzoek niet alleen moet weten dat het om verkoop van vastgoed ging maar ook waar het geld uiteindelijk vandaan kwam. Voor de medewerking van [eiser] was het niet voldoende om de vragen beperkt te interpreteren en kort te beantwoorden, zelfs als een vraag daarmee letterlijk gesproken beantwoord zou zijn geweest. Dat de transacties lang geleden zijn is evenmin een reden om de vragen onbeantwoord te laten, want ING stelde de vragen al sinds 2023.
Verder heeft [eiser] bedragen ontvangen van € 218.765,52 van Westland Partners, € 150.000,- van [naam 3] , € 435.624,- van [bedrijf 2] en in totaal € 545.000,- van [naam 2] . Ook heeft zij € 163.350,- betaald aan Proventique en € 30.000 aan MK Contracting. Op deze ontvangsten en betalingen is alleen een zeer korte toelichting gegeven, en er zijn niet steeds documenten verstrekt waaruit de juistheid daarvan blijkt. Dat ook [naam 2] een rekening bij ING heeft doet niet af aan de benodigde medewerking van [eiser] om inzicht in de achtergrond van de transacties te geven.
Van de transactie met [naam 2] zijn wel documenten aangeleverd, maar [eiser] heeft nu juist verklaard dat deze transactie uiteindelijk niet is doorgegaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gezegd dat de transactie wel gedeeltelijk is doorgegaan, maar bijzonderheden heeft zij niet gegeven. De ontvangsten van Westland Partners en van [naam 3] zijn in de brief van 1 juli 2025 wel toegelicht en met stukken onderbouwd.
De rechtbank zal [eiser] geen gelegenheid geven de ontbrekende antwoorden en documenten alsnog te geven. Dat had zij eerder moeten doen. De onderhavige procedure is niet de plaats om een klantonderzoek van een bank af te ronden.
De rechtbank oordeelt alles bij elkaar dat ING het klantonderzoek niet heeft kunnen afronden. Op grond van artikel 5 lid 3 van Wwft was zij verplicht de klantrelatie met [eiser] te beëindigen, ongeacht of [eiser] elders een bankrekening kan openen. De opzegging van de klantrelatie is daarom niet onaanvaardbaar.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
714,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
totaal |
€ |
2.209,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
||