Europees strafrecht
klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering - de…
Rechtbank Amsterdam, 20 september 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:8116 · Rechtbank Amsterdam · 20 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/beschikking/ecli-nl-rbams-2022-8116
Zaakgegevens
Op 20 september 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 september 2022
- Datum publicatie
- 9 januari 2023
- Zaaknummer
- 22/3760
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8116
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering - de rechtbank verklaart zich onbevoegd tot het afdoen van het klaagschrift en stelt de stukken in handen van de rechtbank Oost-Brabant
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 22/3760
Datum beschikking: 20 september 2022
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983
domicilie kiezende ten kantore van Koppen & Lut advocaten aan de Parijslaan 3,
5611 KM Eindhoven
klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 25 juli 2022 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 6 september 2022 het klaagschrift behandeld en de raadsvrouw van klager, mr. C.G.J.E. Lut, advocaat te Eindhoven, en de officier van justitie, mr. M. Westerman, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.
2 Feiten en omstandigheden
De Duitse autoriteiten hebben door middel van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van 25 mei 2022 verzocht om, met inachtneming van geheimhouding van het onderzoek, de woning van de broer van klager, te weten [broer klager] , te doorzoeken ter inbeslagname van goederen die voor de bewijsgaring kunnen worden aangewend in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen die broer (en anderen) ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in genoemd EOB.
Op 28 juni 2022 is ter uitvoering van het EOB - op grond van artikel 110 in verbinding met artikel 5.4.8. van het Wetboek van Strafvordering - onder meer een personenauto in beslaggenomen.
3 Inhoud klaagschrift en standpunt klager
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de Audi S5 en Audi autosleutels, die onder de broer van klager bij doorzoeking op 28 juni 2022 in [woonplaats broer klager] in beslag zijn genomen en zijn vermeld op de kennisgeving van inbeslaggenomen goederen van 13 juli 2022.
De raadsvrouw heeft vooropgesteld dat zij de rechtbank Amsterdam bevoegd acht tot kennisneming van het klaagschrift. Het Openbaar Ministerie heeft immers bij brief van 28 juni 2022 aan de bewoners van het pand waar de doorzoeking heeft plaatsgevonden, te kennen gegeven dat een eventueel klaagschrift bij de rechtbank Amsterdam moet worden ingediend.
De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat zij zich ertegen verzet dat het EOB niet aan de verdediging wordt overgelegd aangezien op deze wijze de reden waarom de Duitse autoriteiten beslag willen leggen niet bij de verdediging bekend is. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de hiervoor vermelde goederen terug moeten naar klager wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang om deze in beslag te nemen en te houden.
4 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank op grond van
artikel 552a Sv niet bevoegd is om dit klaagschrift in behandeling te nemen, nu de goederen in beslag zijn genomen te [woonplaats broer klager] door de politie uit de provincie Brabant.
5 Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 5.4.10, derde lid, Sv juncto artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen de inbeslagneming is geschied of waar de vervolging is aangevangen.
In het onderhavige geval zijn de goederen te [woonplaats broer klager] in beslag genomen. Daarom is de rechtbank Oost-Brabant bevoegd tot afdoening van dit klaagschrift en moet dit worden doorgezonden naar die rechtbank. Dat klager per abuis een brief van het Openbaar Ministerie heeft ontvangen dat een klaagschrift bij de rechtbank Amsterdam moet worden ingediend doet niet af aan de onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam tot kennisneming van dit klaagschrift.
6 Beslissing
De rechtbank verklaart zich ONBEVOEGD tot het afdoen van het klaagschrift en stelt de stukken in handen van de griffier teneinde het klaagschrift ter afdoening aan de rechtbank Oost-Brabant te verzenden.
Deze beslissing is op 20 september 2022 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M.C. Eggink en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
D.P. Hein is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.