Europees strafrecht
EOB niet ontvankelijk en EBB ongegrond.
ECLI:NL:RBAMS:2023:2321 · Rechtbank Amsterdam · 23 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/beschikking/ecli-nl-rbams-2023-2321
Zaakgegevens
Op 23 maart 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 maart 2023
- Datum publicatie
- 17 april 2023
- Zaaknummers
- 22/4673, 23/003668
- Rechtsgebied
- Strafrecht Europees strafrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:2321
Samenvatting
EOB niet ontvankelijk en EBB ongegrond.
Uitspraak
Inhoudsopgave
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 22/4673; 23/003668
Datum beschikking: 23 maart 2023
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en het klaagschrift ex artikel 5.5.18 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
Gevestigd aan [adres 1]
domicilie kiezende te Amsterdam aan de [adres 2],
klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 1 november 2022 ingediend ter griffie van deze rechtbank en gericht tegen een inbeslagname op grond van een Europees onderzoeksbevel - EOB (hierna: het EOB-klaagschrift).
Op 9 februari 2023 is namens klager bij de rechtbank Amsterdam ook een klaagschrift ingediend dat ziet op de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel (EBB), waarbij er conservatoir beslag is gelegd op de aan klager toebehorende geldbedragen (hierna: het EBB-klaagschrift).
De rechtbank heeft op 9 februari 2023 de klaagschriften behandeld en klager, zijn raadsvrouw, mr. E. de Witte, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. C.E.J. Backer, in openbare raadkamer gehoord.
2 Inhoud klaagschrift en standpunt klager
De ingediende klaagschriften strekken tot teruggave van inbeslaggenomen geldbedragen, ter hoogte van €17.880,- en € 3.670,-. Deze geldbedragen werden op 18 oktober 2022 op grond van de artikelen 96c, 125i/125j Wetboek van Strafvordering tijdens de doorzoeking op het kantoor van [klager] en [klager] aan de [adres 1] inbeslaggenomen en hierop werd conservatoir beslag gelegd. Uit het klaagschrift en de toelichting daarop door de raadsvrouw van klager in raadkamer volgt dat wordt verzocht om teruggave van de geldbedragen omdat de beslaglegging onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Uit het EOB volgt immers geen grondslag voor inbeslagname van spullen onder klager. Klager is eigenaar van de gelden en heeft niets te maken met de [naam cryptocurrency] of overige Cryptocurrency. Klager is ook geen verdachte in het Estse onderzoek en er ontbreekt iedere redelijke grond om aan te nemen dat deze gelden in Estland geconfisqueerd zullen worden. Het beslag is daarom onrechtmatig en de gelden dienen aan klager te worden geretourneerd.
3 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat klager niet ontvankelijk in zijn beklag, omdat de geldbedragen onder conservatoir beslag liggen op basis van een EBB en niet op basis van het EOB, waartegen het eerste klaagschrift is gericht. Het EBB is aan de orde en de behandeling van het beklag tegen het EBB-klaagschrift dient te worden aangehouden.
4 Het oordeel van de rechtbank
De onder conservatoir beslag gelegde geldbedragen waarop het EBB-klaagschrift ziet, zijn vermeld op de lijst van inbeslaggenomen goederen van 18 oktober 2022 en het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming. De doorzoeking vond plaats met toestemming van de officier van justitie ter uitvoering van een EOB uit Estland met kenmerk EOB-I-2022018739.
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich mee dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
Met Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: EBB-Verordening), worden regels gesteld op grond waarvan een lidstaat een door een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat in een strafprocedure gegeven beslissing tot bevriezing op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Ook hiervoor geldt het beginsel van wederzijds erkenning.
Indien een voorwerp wordt veiliggesteld met het oog op bewijsvergaring, dan is het EOB van toepassing. Voor het veiligstellen van een voorwerp met het oog op latere confiscatie is een EBB vereist. Indien een voorwerp tot beide doeleinden moet dienen, wordt algemeen aangenomen dat het EOB moet worden gebruikt als bewijsvergaring het hoofddoel is. Het is aan de uitvaardigende autoriteit om dit te beoordelen en het doel van de bevriezingsmaatregel te verduidelijken.
De EOB-Richtlijn is in de Nederlandse wet geïmplementeerd in de artikelen 5.4.1 Sv tot en met 5.4.31 Sv, de EBB-Verordening in de artikelen 5.5.14 Sv tot en met 5.5.19 Sv.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op basis van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daar staat tegenover dat wel, al dan niet ambtshalve, moet worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 van het Wetboek van Strafvordering – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. Die beoordeling is overigens beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat aan de rechtbank ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Een en ander is, mutatis mutandis, van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van een klaagschrift tegen een EBB. Om die reden zal de rechtbank tevens ambtshalve nagaan of zich, gelet op artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8, eerste lid, EBB-verordening een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EBB.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
De in beslag genomen laptop en ledger waarop het klaagschrift ziet, zijn vermeld in het proces-verbaal ‘Verslag doorzoeking in bedrijfspand [adres 1]’ en op de lijst van inbeslaggenomen goederen van 18 oktober 2022. De doorzoeking vond plaats met toestemming van de officier van justitie ter uitvoering van een EOB uit Estland met kenmerk EOB-I-2022018739.
Uit Section G: Grounds for issuing the EIO blijkt, kort gezegd, dat het EOB onder meer op een verdenking van fraude met cryptocurrency, in het bijzonder ‘[naam cryptocurrency]’, ziet. De verdenking bestaat dat ‘[naam cryptocurrency]’ de prijs van de cryptocurrency ‘[naam cryptocurrency]’ alsmede het aantal gebruikers heeft gemanipuleerd teneinde investeringen aan te trekken, alsmede [naam cryptocurrency] als een levensvatbare cryptomunt te positioneren die onder meer als betaalmiddel kan worden gebruikt of waar winst mee kan worden gegenereerd. Bovendien is er reden om aan te nemen dat het geld dat met de verkoop van [naam cryptocurrency] is ontvangen, via verschillende bedrijven, door middel van ogenschijnlijke transacties, wordt overgedragen aan de derde partijen die zijn gekoppeld aan onder meer [naam cryptocurrency] en [klager] of aan personen behorende tot haar directie- of eigenaren. Via een webpagina, [webpagina], die wordt beheerd door de firma [klager] kunnen [naam cryptocurrency] worden verkregen en via dit bedrijf vindt netwerkmarketing van [naam cryptocurrency] plaats.
Tevens is in Section G het volgende opgenomen:
“The purpose of the search is to find the correspondence, communications and notes of the managers, employees and associated persons of [klager] dealing with [naam cryptocurrency], to find databases relating to [naam cryptocurrency], to find the accounting records of [klager], to find documents and data of associated companies, to find and seize virtual currency accounts, keys of cryptocurrency wallets and other documents relating to economic activities.”
De Estse autoriteiten hebben vervolgens een EBB uitgevaardigd. Door de rechter-commissaris is een machtiging afgegeven tot het leggen van conservatoir beslag op de geldbedragen. Nu de Estse autoriteiten niet hebben medegedeeld af te zien van het beslag en zelfs een EBB hebben uitgevaardigd, is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering.
Gelet op de informatie van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris een machtiging afgegeven tot het leggen van conservatoir beslag op de beide geldbedragen. Gelet daarop dient het beklag tegen het EOB niet ontvankelijk te worden verklaard. Nu de geldbedragen in beslag zijn genomen op grond van het EBB is het beklag voor wat betreft deze geldbedragen tegen het EOB niet ontvankelijk.
De overige in beslag genomen goederen zijn deels in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Estse strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, deze daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Estse autoriteiten. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan een belangenafweging.
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich wat betreft het EBB dat is uitgevaardigd geen weigeringsgronden voor als bedoeld in artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8, eerste lid, EBB-verordening. De geldbedragen zijn aangetroffen in de kluis in de bedrijfsruimte van [klager] aan de [adres 1]. Het EBB ziet op bevriezing van bezittingen gelijk aan de waarde van de “proceeds of crime”.
De stelling dat [klager] geen verdachte is en stelt eigenaar te zijn van de geldbedragen (hetgeen niet afdoende is aangetoond), doet hier niet aan af.
De door de raadsvrouw naar voren gebrachte argumenten kunnen daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beklag namens klager.
Gelet op het voorgaande zal het beklag van de klager ten aanzien van het EOB voor zover dat ziet op de geldbedragen niet ontvankelijk worden verklaard en het beklag ten aanzien van het EBB ongegrond worden verklaard.
5 Beslissing
De rechtbank:
- WIJST AF het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het beklag ten aanzien van het EBB af;
- verklaart het beklag ten aanzien van het EOB NIET ONTVANKELIJK;
- verklaart het beklag ten aanzien van het EBB ONGEGROND.
Deze beslissing is op 23 maart 2023 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want griffier.