Europees strafrecht
Overleveringswet. Artikel 21 lid 8. Een bevel dat de opgeëiste persoon “in verzekering gesteld zal blijven…
Rechtbank Amsterdam, 10 oktober 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:8869 · Rechtbank Amsterdam · 10 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/beschikking/ecli-nl-rbams-2024-8869
Zaakgegevens
Op 10 oktober 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 oktober 2024
- Datum publicatie
- 6 juni 2025
- Zaaknummer
- 13/315305-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:8869
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overleveringswet. Artikel 21 lid 8. Een bevel dat de opgeëiste persoon “in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist” vereist een voorafgaand bevel tot inverzekeringstelling a.b.i. artikel 21 lid 5
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/315305-24
Beslissing op de vordering voortzetting inverzekeringstelling
(artikel 21 lid 8 Overleveringswet)
De uitvaardigende justitiële autoriteit van Estland heeft om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , Estland
van Estische nationaliteit,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans uit anderen hoofde gedetineerd [detentieplaats] .
Raadsman mr. R.F. Bakker.
Procedure
De officier van justitie heeft op 9 oktober 2024 gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat de opgeëiste persoon in verzekering gesteld blijft tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. De officier van justitie is tevens voornemens de tenuitvoerlegging van voornoemd bevel op te schorten ten behoeve van de uit anderen hoofde detentie op grond van parketnummer 13/277452-24, met ingang van 10 oktober 2024 tot het moment dat de uit anderen hoofde detentie afloopt dan wel wordt geschorst.
De rechtbank heeft de opgeëiste persoon op 10 oktober 2024 gehoord. Haar raadsman is in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.
Beoordeling
Vast staat dat de opgeëiste persoon niet naar aanleiding van het Europees aanhoudingsbevel (EAB) is aangehouden noch in verzekering is gesteld. Het openbaar ministerie heeft in een e-mailbericht van 10 oktober 2024 laten weten dat een aanhouding voor een vordering als bedoeld in artikel 21, achtste 8, Overleveringswet (OLW) niet is vereist. De rechtbank volgt het openbaar ministerie niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.
De van toepassing zijnde bepaling is artikel 21 OLW. Dit artikel is opgenomen in afdeling 2, paragraaf B, OLW met de aanhef “Aanhouding”.
Artikel 21, eerste lid, OLW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de opgeëiste persoon op basis van een EAB zonder verdere formaliteiten wordt aangehouden.
Artikel 21, vijfde lid, OLW bepaalt dat, na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan bevelen dat deze persoon gedurende drie dagen in verzekering gesteld zal blijven.
Artikel 21, achtste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank, na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, op vordering van de officier van justitie kan bevelen dat deze in verzekering gesteld zal blijven [onderstreping rechtbank] tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.
Uit voormelde bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een opgeëiste persoon eerst in verzekering moet zijn gesteld alvorens sprake kan zijn van een bij de rechtbank ingediende vordering tot voortduring van die inverzekeringstelling.
Nu de opgeëiste persoon in deze zaak niet is aangehouden en niet in verzekering is gesteld conform artikel 21, eerste en vijfde lid 1, OLW, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de wettelijke vereisten om inhoudelijk te kunnen beslissen op de vordering ex artikel 21, achtste lid, OLW. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering van
9 oktober 2024.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart de officier van justitie NIET-ONTVANKELIJK in de vordering tot voortzetting van de inverzekeringstelling
Deze beslissing is genomen op 10 oktober 2024 door:
mr. M.C.M. Hamer, rechter,
in tegenwoordigheid van S.C.M. Plat, griffier.