Europees strafrecht
Verzoek om aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten afgewezen. Bezwaren die de overgeleverde…
Rechtbank Amsterdam, 19 februari 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1696 · Rechtbank Amsterdam · 19 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/beschikking/ecli-nl-rbams-2025-1696
Zaakgegevens
Op 19 februari 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 19 februari 2025
- Datum publicatie
- 17 maart 2025
- Zaaknummer
- 13-185783-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1696
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten afgewezen. Bezwaren die de overgeleverde persoon tegen het verlenen van aanvullende toestemming heeft zijn voor de rechtbank niet kenbaar en zijn daarom niet te betrekken bij het oordeel. NIet voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-185783-24
Datum beslissing: 19 februari 2025
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 12 juni 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Amtsgericht Osnabrück in de Bondsrepubliek Duitsland op 19 april 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] (voormalig Sovjet-Unie),
thans gedetineerd in de Bondsrepubliek Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1 Beoordeling
Vereist is dat een overgeleverde persoon in het kader van een verzoek om toestemming zoals hiervoor vermeld de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 26 oktober 2021.
Op 18 juni 2024 heeft het Openbaar Ministerie, op verzoek van de rechtbank, de volgende vraag aan de verzoekende autoriteit voorgelegd:
Please provide Mr [overgeleverde persoon] the opportunity to express his remarks and objections with regard to the request for additional consent (within the meaning of paragraph 63 of the judgment of the Court of Justice of the EU of 26 October 2021 in the case HM (C 428/21 PPU) and TZ (C 429/21 PPU), ECLI:EU:C:2021:876). In other words, the Court of Amsterdam requests that Mr [overgeleverde persoon] be heard about the request for additional consent and that he shall be asked whether he has any objections to the granting of the request by the Netherlands and, if so, which objections. Please be aware that the mere statement that the surrendered person does not wish to renounce the protection of the principle of speciality is not sufficient. Could you please offer the surrendered person that opportunity and provide me with a report thereof?
Als reactie op deze vraag hebben de Duitse autoriteiten een proces-verbaal van 25 juli 2024 van het Amtsgericht Bochum met parketnummer 64 Gsw 3379/24 inzake het verzoek tot toestemming verstrekt. Hoewel uit dit proces-verbaal blijkt dat de overgeleverde persoon bezwaren tegen het verzoek om toestemming heeft en geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel, blijkt daaruit niet dat de overgeleverde persoon deze bezwaren ook verder heeft kunnen benoemen.
De rechtbank concludeert daarom dat de bezwaren die de overgeleverde persoon heeft, niet kenbaar zijn voor de rechtbank en de rechtbank die bezwaren niet kan betrekken bij haar beoordeling, zodat niet is voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming.
Hieruit volgt dat de rechtbank niet met volledige eerbiediging van de rechten van de verdediging van de overgeleverde persoon een toewijzende beslissing kan nemen op het verzoek. De rechtbank ziet – vanwege het verstrijken van de geldende beslistermijn – ook geen aanleiding de beslissing op het verzoek aan te houden voor het opnieuw stellen van vragen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
De rechtbank wijst erop dat dit onverlet laat dat de Duitse uitvaardigende justitiële autoriteit desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kan indienen, mits de bezwaren die de overgeleverde persoon heeft tegen inwilliging van zo’n verzoek kenbaar worden gemaakt aan de rechtbank.
2 Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om toestemming af.
Deze beslissing is genomen op 19 februari 2025 door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr J.M. Esschendal, griffier.