Europees strafrecht
Verzoekschriften 530 en 533 Sv. Niet-ontvankelijk wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
ECLI:NL:RBAMS:2025:4377 · Rechtbank Amsterdam · 25 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/beschikking/ecli-nl-rbams-2025-4377
Zaakgegevens
Op 25 juni 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 25 juni 2025
- Datum publicatie
- 25 juni 2025
- Zaaknummer
- 1300635824
- Rechtsgebied
- Strafrecht Europees strafrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4377
Samenvatting
Verzoekschriften 530 en 533 Sv. Niet-ontvankelijk wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
Inhoudsopgave
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13-006358-24
RK nummers: 25-007185 en 25-007186
BESCHIKKING
Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoekster] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976,
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van haar raadsman,
mr. T. Polat, Princenhagelaan 9A, 4813 DA, te Breda,
hierna te noemen: verzoekster.
1 Procesgang
Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 19 maart 2025, heeft verzoekster vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming (overleveringsdetentie) en van de kosten van rechtsbijstand in het kader van de overleveringsprocedure.
De rechtbank heeft op 11 juni 2025 de gemachtigde raadsman van verzoekster, mr. T. Polat, advocaat in Breda, en de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, in openbare raadkamer gehoord. Verzoekster is niet verschenen.
2 Voorgeschiedenis
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Op 11 september 2019 is door the Regional Court in Szczecin, Polen een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoekster aan Polen, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek.
- Van 29 februari 2024 tot en met 28 november 2024 is verzoekster gedetineerd geweest op grond van de OLW, gelet op voormeld EAB.
- Bij uitspraak van deze rechtbank van 28 november 2024 heeft de rechtbank geen gevolg gegeven aan het EAB en is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
3 Verzoeken
De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van
- € 21.970,00,- voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoekster in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
? dagen politiebureau: 1 x € 130,- = € 130,-,
? dagen Huis van Bewaring 273 x € 80,- = € 21.840,00,
De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift weliswaar niet tijdig is ingediend, maar dat deze overschrijding verschoonbaar is. Als gevolg van de langdurige detentie heeft verzoekster na haar invrijheidstelling tijd nodig gehad om een (vast) onderkomen en/of werk te vinden. Bovendien is als gevolg van de ondergane detentie het prepaid nummer van verzoekster onbruikbaar geworden (na een periode van inactiviteit van 90 tot 180 dagen wordt een prepaid simkaart gedeactiveerd en daarmee het telefoonnummer onbruikbaar). Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat verzoekster tot zeer kort geleden “onvindbaar” was. Om die reden was het niet mogelijk om de mogelijkheid tot het indienen van een verzoekschrift tot schadevergoeding te bespreken met verzoekster, noch om het onderhavige verzoekschrift tijdig in te dienen, aldus de raadsman.
Tevens heeft de raadsman de rechtbank verzocht de door verzoekster in het verzoekschrift opgenomen bedragen aan te passen naar de bedragen conform de berekening van de officier van justitie.
4 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek te laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verzoek te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is.
Gelet op het bepaalde in artikel 530, vierde lid jo. artikel 529, tweede lid, Sv en in artikel 533, derde lid, Sv, hadden de verzoeken binnen drie maanden na 28 november 2024 moeten zijn ingediend. Op die datum is immers ondubbelzinnig duidelijk geworden dat de overleveringsprocedure was beëindigd omdat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard. De uitspraak is gedaan direct aansluitend op de inhoudelijke behandeling op 28 november 2024 en verzoekster was op die zitting aanwezig. Zij was er dus op 28 november 2024 mee bekend dat de overleveringsprocedure was geëindigd. In hetgeen namens verzoekster is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
6 Beslissing
De rechtbank verklaart verzoekster NIET-ONTVANKELIJK in haar verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand.
Deze beslissing is gegeven op 25 juni 2025 en in het openbaar uitgesproken door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en G.S. Haas, griffiers,
Tegen deze beslissing staat voor verzoekster hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.