Europees strafrecht
Klaagschrift ex artikel 552a Sr. Toetsingskader EOB. Beklag ongegrond.
Rechtbank Amsterdam, 6 september 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:5433 · Rechtbank Amsterdam · 6 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2022-5433
Zaakgegevens
Op 6 september 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 september 2022
- Datum publicatie
- 19 september 2022
- Zaaknummer
- 22/0013701
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:5433
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Klaagschrift ex artikel 552a Sr. Toetsingskader EOB. Beklag ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 22/0013701
Datum beschikking: 6 september 2022
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
domicilie kiezende aan de [adres] , [plaats]
hierna ‘klager’.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 1 juli 2022 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 23 augustus 2022 het klaagschrift behandeld en klager, zijn raadsvrouw, mr. R.V.S. Adriaanse, advocaat te Amsterdam, waarnemend voor haar kantoorgenoot
mr. J. Leyten, ook advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. M. Diependaal, in openbare raadkamer gehoord.
2 Inhoud klaagschrift en standpunt klager
Het ingediende klaagschrift strekt tot teruggave van alle op 21 juni 2022 op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering tijdens de doorzoeking van de woning van klager inbeslaggenomen goederen aan klager. In raadkamer heeft de raadsvrouw het klaagschrift beperkt tot een verzoek tot teruggave aan klager van de hem in eigendom toebehorende kleding, tas en schoenen, te weten: een Luis Vuitton Vest, een Moncler jas, een Burberry T-shirt, een Casa Blanca T-Schirt, een Dior T-Shirt, een Off White T-Shirt, een Dior rugtas, een paar Dior schoenen, een paar Gucci schoenen en een paar Louis Vuitton schoenen. Hiernaast heeft de raadsvrouw toegelicht dat het klaagschrift ook strekt tot teruggave aan klager van het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 4000,- (de rechtbank begrijpt het in beslag genomen bedrag ad € 3870,-) en de in beslag genomen laptops van het merk HP.
Uit het klaagschrift en de toelichting daarop door de raadsvrouw in raadkamer volgt dat wordt verzocht om teruggave omdat klager er belang bij heeft zelf weer te kunnen beschikken over de hem toebehorende goederen. Omdat er op dit moment geen strafvorderlijk belang meer bestaat om het beslag te handhaven, dienen de goederen aan klager te worden teruggegeven. Ter onderbouwing van de eigendom van de voornoemde goederen is aangevoerd dat klager deze heeft verkregen met het geld dat door de verzekeringsmaatschappij [naam] aan hem zou zijn uitgekeerd.
3 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen geldbedragen en luxe goederen moeten worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten ten behoeve van het aldaar gevoerde strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Daarbij heeft zij gewezen op het toetsingskader van de Hoge Raad waaruit volgt dat de door de raadsvrouw aangevoerde argumenten ter onderbouwing van het klaagschrift, daarvan geen onderdeel uitmaken.
Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de in beslaggenomen goederen onder beslag te blijven houden in afwachting van een door Belgische autoriteiten uit te vaardigen Europees bevriezingsbevel en omzetting naar conservatoir beslag. In afwachting van de uitkomst van het Belgisch onderzoek, waarbij mogelijk een confiscatiebeslissing zal volgen, moet het beslag hoe dan ook gehandhaafd te blijven.
4 Het oordeel van de rechtbank
De doorzoeking en inbeslagname van de goederen waartegen het klaagschrift is gericht vond plaats na een machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB) uit België met kenmerk EOB-I-2021007002.
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich mee dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op basis van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daar staat tegenover dat wel, al dan niet ambtshalve moet worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast, welke beoordeling overigens is beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat aan de rechtbank ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer de klager [klager] . Blijkens de informatie die de officier van justitie met toestemming van de Belgische autoriteiten ook met de klagers en hun advocaat heeft gedeeld, worden de verdachten in het Belgische strafrechtelijk onderzoek (onder wie [klager] ) onder meer verdacht van witwassen.
Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De doorzoeking en de inbeslagneming naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94, 104 en 110 Sv. De inzet van deze bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied.
De inbeslaggenomen goederen betreffen het bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en dat bewijsmateriaal beogen de Belgische autoriteiten met dit EOB te verkrijgen. Deze goederen zijn dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Belgische strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, de inbeslaggenomen goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan een belangenafweging.
De door de raadsvrouw naar voren gebrachte argumenten kunnen daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beklag.
Gelet op het voorgaande zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
5 Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND.
Deze beslissing is op 6 september 2022 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.