Europees strafrecht
Klaagschrift ex artikel 552a Sr. Toetsingskader EOB. Beklagen ongegrond.
Rechtbank Amsterdam, 6 september 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:5434 · Rechtbank Amsterdam · 6 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2022-5434
Zaakgegevens
Op 6 september 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 september 2022
- Datum publicatie
- 19 september 2022
- Zaaknummer
- 22/013955
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:5434
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Klaagschrift ex artikel 552a Sr. Toetsingskader EOB. Beklagen ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 22/013955
Datum beschikking: 6 september 2022
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
domicilie kiezende aan de [adres] , [plaats] ,
hierna ‘klager’.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 5 juli 2022 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 23 augustus 2022 het klaagschrift behandeld. Daarbij zijn de klager, zijn raadsvrouw, mr. R.V.S. Adriaanse, advocaat te Amsterdam, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. J. Leyten, ook advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie,
mr. M. Diependaal, in openbare raadkamer gehoord.
Het klaagschrift omvat mede het verzoek tot opheffing van het beslag en teruggave van een goed dat toebehoort aan rechthebbende [klaagster] , vriendin van klager. Zij heeft in raadkamer voornoemde raadsvrouw gemachtigd voor haar op te treden en is hierna door de rechtbank ook aangemerkt als klaagster.
2 Inhoud klaagschrift en standpunt klagers
Het ingediende klaagschrift strekt tot teruggave van alle op 21 juni 2022 op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering tijdens de doorzoeking van de woning van klager inbeslaggenomen goederen aan klager. In raadkamer heeft de raadsvrouw het klaagschrift beperkt tot een verzoek tot teruggave aan klager van de hem in eigendom toebehorende jas, merk Louis Vuitton en zonnebril, merk Cartier. Verder strekt het klaagschrift tot teruggave van het op de voornoemde datum en plaats inbeslaggenomen horloge, merk Rolex, toebehorend aan klaagster.
Uit het klaagschrift en de toelichting daarop door de raadsvrouw van klagers in raadkamer volgt dat wordt verzocht om teruggave van de aan klagers toebehorende goederen vanwege het persoonlijk belang om daarover te beschikken. Omdat er op dit moment geen strafvorderlijk belang meer bestaat om het beslag te handhaven, dienen de goederen aan klagers te worden teruggegeven. Ter onderbouwing van de eigendom van de goederen is een aankoopbewijs van het Rolex horloge overgelegd en aangevoerd dat dit horloge is aangekocht met gelden verkregen uit werkzaamheden door klaagster. Verder is aangevoerd dat klager de Louis Vuitton jas en Cartier zonnebril aangekocht heeft met gelden die hij uit loondienst zou hebben verkregen.
3 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen luxe goederen moeten worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten ten behoeve van het aldaar gevoerde strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Daarbij heeft zij gewezen op het toetsingskader van de Hoge Raad waaruit volgt dat de door de raadsvrouw aangevoerde argumenten ter onderbouwing van het klaagschrift, daarvan geen onderdeel uitmaken.
Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de in beslaggenomen goederen onder beslag te blijven houden in afwachting van een door Belgische autoriteiten uit te vaardigen Europees bevriezingsbevel en omzetting naar conservatoir beslag. In afwachting van de uitkomst van het Belgisch onderzoek, waarbij mogelijk een confiscatiebeslissing zal volgen, moet het beslag hoe dan ook gehandhaafd te blijven.
4 Het oordeel van de rechtbank
De in beslag genomen goederen waarop het klaagschrift ziet, zijn vermeld op de kennisgevingen van inbeslagname van 21 juni 2022. De doorzoeking vond plaats met een machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB) uit België met kenmerk EOB-I-2021007002
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich mee dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op basis van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daar staat tegenover dat wel, al dan niet ambtshalve, moet worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 van het Wetboek van Strafvordering – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. Die beoordeling is overigens beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat aan de rechtbank ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer de klager [klager] . Blijkens de informatie die de officier van justitie met toestemming van de Belgische autoriteiten ook met de klagers en hun advocaat heeft gedeeld, worden de verdachten in het Belgische strafrechtelijk onderzoek (onder wie [klager] ) onder meer verdacht van witwassen.
Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De doorzoeking en de inbeslagneming naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94, 104 en 110 Sv. De inzet van deze bevoegdheden is naar Nederlands recht dan ook rechtmatig geschied.
Verder betreffen de inbeslaggenomen goederen het bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en dat bewijsmateriaal beogen de Belgische autoriteiten met dit EOB te verkrijgen. Deze goederen zijn dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Belgische strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, de inbeslaggenomen goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan een belangenafweging.
De door de raadsvrouw naar voren gebrachte argumenten kunnen daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beklag namens beide klagers.
Gelet op het voorgaande zal het beklag van de klagers ongegrond worden verklaard.
5 Beslissing
De rechtbank verklaart de beklagen ONGEGROND.
Deze beslissing is op 6 september 2022 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.