Materieel strafrecht

Bezwaarschrift ex artikel 6:6:23, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk, nu…

Rechtbank Amsterdam, 28 februari 2020

Zaakgegevens

Op 28 februari 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 februari 2020
Datum publicatie
27 maart 2020
Zaaknummer
RK 20/344
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2020:2011
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bezwaarschrift ex artikel 6:6:23, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk, nu veroordeelde de vervangende hechtenis heeft uitgezeten

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 23-001944-18 / 13/073975-18

RK: 20/344

Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 6:6:23, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering van:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres 1] , [plaats] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. P. Jeeninga,

[adres 2] , [plaats] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

1 Procesgang

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 14 mei 2019 aan veroordeelde een taakstraf van 40 uren opgelegd. Het gerechtshof heeft bevolen dat voor het geval veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis van 20 dagen zal worden toegepast. Het arrest is onherroepelijk.

Het Openbaar Ministerie heeft op 13 december 2019 beslist dat de vervangende hechtenis wordt toegepast en hiervan aan veroordeelde kennis gegeven.

De kennisgeving van deze beslissing is op 15 januari 2020 aan veroordeelde betekend.

Het bezwaarschrift is op 21 januari 2020 op de griffie van deze rechtbank ingediend.

Veroordeelde heeft 16 uur van de taakstraf verricht. De politierechter heeft voorts geconstateerd dat de raadsman per e-mail van 28 februari 2020 heeft aangegeven dat veroordeelde de resterende vervangende hechtenis al heeft uitgezeten, aangezien er geen opschorting van de tenuitvoerlegging werd verleend.

2 De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

De raadsman van veroordeelde heeft per e-mail van 28 februari 2020 aangegeven dat het belang van het bezwaarschrift is komen te vervallen.

De officier van justitie, mr. J. van der Meij, heeft ter zitting aangevoerd dat ze ervan uitgaat dat veroordeelde de vervangende hechtenis heeft ondergaan en dat veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift moet worden verklaard.

De politierechter is van oordeel dat het belang van het bezwaarschrift is komen te vervallen, nu veroordeelde de vervangende hechtenis al heeft ondergaan. Op grond hiervan is de politierechter van oordeel dat veroordeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn bezwaarschrift.

3 Beslissing

De politierechter verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.

Deze beslissing is gegeven door

mr. RC.J. Hamming, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2020.