Materieel strafrecht
Afwijzing vordering ontneming 1.250,- euro
Rechtbank Amsterdam, 30 april 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:3625 · Rechtbank Amsterdam · 30 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2020-3625
Zaakgegevens
Op 30 april 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 april 2020
- Datum publicatie
- 23 juli 2020
- Zaaknummer
- 13-042456-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:3625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing vordering ontneming 1.250,- euro
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.042456.20 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 april 2020
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.042456.20, tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres],
gedetineerd te: Justitieel Complex [te plaats],
hierna te noemen veroordeelde.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij, en van wat de raadsman van veroordeelde, mr. E. El Assrouti, advocaat te Amsterdam, (telefonisch) naar voren heeft gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2020.
2 De vordering
De vordering van de officier van justitie van 19 februari 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.250,-.
Op de terechtzitting van 30 april 2020 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in die zin dat zij heeft verzocht deze slechts dan toe te wijzen indien de rechtbank in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij niet toewijst.
3 Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2020 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld:
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
en
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
en
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de officier van justitie
De weggenomen bedragen van 500, euro en 1.500,- euro leveren in totaal 2.000,- euro wederrechtelijk verkregen voordeel op. Aannemelijk is dat veroordeelde de eerste diefstal alleen heeft gepleegd en daar 500,- euro wederrechtelijk verkregen voordeel uit heeft. De tweede diefstal is door veroordeelde samen met de mededader gepleegd. De opbrengst van deze diefstal moet door beide daders worden gedeeld, waardoor veroordeelde uit dit feit een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft van 750,- euro. Dit brengt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op 1.250,- euro.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 1.250,- euro. De rechtbank heeft in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, tot een bedrag van 2.300,- euro toegewezen. Deze schadevergoeding ziet onder meer op de weggenomen bedragen van 500,- euro en 1.500,- euro. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom moet de vordering van de officier van justitie worden afgewezen.
5 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds, J.M.R. Vastenburg rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2020.