Materieel strafrecht
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedreiging, dwang en het voorhanden hebben van…
Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7752 · Rechtbank Amsterdam · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7752
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- 71/243880-25 (zaak A) en 10/365683-24 (zaak B)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7752
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedreiging, dwang en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het voorhanden hebben van een mes tijdens een 'pedohunt'. Verdachte heeft voor bovengenoemde feiten enige dagen vastgezeten en is vervolgens onder voorwaarden geschorst. Tijdens die schorsing heeft hij zich wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, door het medeplegen van de invoer van twee gaspistolen. Toepassing van het adolescentenstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met aftrek en een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast wordt een werkstraf van 100 uur opgelegd.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/243880-25 (zaak A) en 10/365683-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 8 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Z. Trokic, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [benadeelde partij] door zijn advocaat, mr. A.T. Bol, waarnemend voor mr. J. van Riet, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank [reclasseringsmedewerker] , medewerker bij de Jeugdreclassering, ter terechtzitting als deskundige gehoord.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Ten aanzien van zaak A
het medeplegen van het doen binnenkomen en/of doen uitgaan van twee vuurwapens op 5 november 2024 te Apeldoorn en/of Emmerich.
Ten aanzien van zaak B
feit 1: het medeplegen van bedreiging van [benadeelde partij] op 15 november 2024 te Rotterdam;
feit 2: het medeplegen van het wederrechtelijk dwingen van [benadeelde partij] om iets te doen, niet te doen en/of te dulden door geweld en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid op 15 november 2024 te Rotterdam;
feit 3: het medeplegen van het voorhanden hebben van een gaspistool en twee patroonmagazijnen op 15 november 2024 te Rotterdam;
feit 4: het dragen van een vouwmes op 15 november 2024 te Rotterdam.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten in zowel zaak A als zaak B wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van zaak A
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van zaak B
De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 bepleit dat verdachte geen beschikkingsmacht had over het wapen, omdat het zich bevond in de jas van de medeverdachte. Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A
De rechtbank acht de tenlastegelegde invoer van twee gaspistolen bewezen en volstaat met betrekking tot het bewijs met een opgave van de bewijsmiddelen in navolgende voetnoot, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit. De rechtbank is op basis van het procesdossier niet gebleken van de aanwezigheid van een consent, zijnde een vergunning voor de invoer van dergelijke wapens in Nederland. De invoer van deze gaspistolen is daarmee strafbaar gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] – hierna: [medeverdachte] - hebben afgesproken dat verdachte in Duitsland twee alarmpistolen voor hem zou aanschaffen, aangezien verdachte inmiddels de leeftijd van 18 jaar had bereikt. [medeverdachte] heeft vervolgens het benodigde geldbedrag opgenomen, waarna verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk naar Duitsland zijn afgereisd. Aldaar heeft verdachte de alarmpistolen in een winkel aangeschaft en deze vervolgens aan [medeverdachte] overhandigd. Hierna zijn zij gezamenlijk teruggekeerd naar Nederland. Door gezamenlijk het plan op te vatten om de alarmpistolen in Duitsland aan te schaffen, waarbij [medeverdachte] de benodigde financiële middelen ter beschikking stelde en verdachte de wapens heeft aangeschaft en aan hem heeft overgedragen, is naar het oordeel van de rechtbank de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is daarbij van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Ten aanzien van zaak B
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 15 november 2024 doet [benadeelde partij] aangifte. Hij verklaart dat hij diezelfde dag via [platform] had afgesproken met een meisje in een park in Rotterdam. Toen hij door Rotterdam liep, werd hij door twee jongens aangesproken met het verzoek met hen mee te lopen. Vervolgens toonden zij aangever een vuurwapen en dwongen zij hem om [platform] en andere gegevens te verwijderen. Daarna werd aangever verteld dat zij hem wilden neersteken en neerschieten en dat hij zijn telefoon moest afgeven of anders dood zou gaan. In het aanvullend verhoor van aangever verklaart hij dat, terwijl een van de jongens zei: "We steken je neer", deze jongen zijn hand in zijn jaszak hield. Verder verklaart aangever dat hij, naast het verwijderen van gegevens, ook personen moest bellen, waarna hij zijn vader heeft gebeld. Tot slot werd hem verteld dat zijn leven voorbij zou zijn als hij niet zou luisteren en niet zou doen wat hem werd opgedragen. Aangever heeft verklaard dat hij erg is geschrokken van het incident en dat op dat moment zijn leven aan hem voorbij flitste.
Op diezelfde dag, kort na het incident, komen verbalisanten ter plaatse. Zij zien in Rotterdam twee jongens lopen, zijnde verdachte en [medeverdachte] , die voldoen aan het door de politie verkregen signalement. Onder verdachte wordt vervolgens een mes aangetroffen. Dit bleek een vouwmes te zijn. Onder [medeverdachte] worden een handvuurwapen en twee patroonhouders aangetroffen. Na onderzoek bleek dit vuurwapen een Zoraki 917-P kaliber 9 mm PAK te zijn. De aangetroffen patroonhouders zijn eveneens onderzocht en als munitie aangemerkt.
De telefoon van [medeverdachte] is onderzocht. Daaruit blijkt dat de dag voorafgaand aan de confrontatie met aangever tussen [medeverdachte] en verdachte screenshots zijn uitgewisseld van het [platform] -gesprek met aangever. Verdachte en [medeverdachte] bespreken met elkaar wat er tegen aangever moet worden gezegd en hoe en waar er met aangever moet worden afgesproken. [medeverdachte] zegt “Ik heb shottie” en “Knallen we ze allemaal”. Verdachte zegt “Of we dwingen hem mee te gaan. Of we gaan naar de politie”. [medeverdachte] zegt daarop “Nee want we hebben dan shit mee en kunnen dan niks in publiek”. Verdachte zegt later in het gesprek “Maar niet schieten”. [medeverdachte] antwoordt hierop “Ook geen alarm mee nemen?” Verdachte antwoordt daarop “Doe maar voor zekerheid”. De volgende dag, de dag van het incident, zegt [medeverdachte] tegen verdachte dat hij messen, bivakmutsen en een taser mee heeft en zegt hij ook “Heb alarm mee”, waarop verdachte antwoordt “Top” en "Aii, hij gaat dood."
Verdachte heeft verklaard dat hij via [platform] met aangever heeft gechat en zich daarbij heeft voorgedaan als een 15-jarig meisje. Hij heeft samen met [medeverdachte] een afspraak met aangever gemaakt in Rotterdam om hem te confronteren met zijn gedrag. Op de afgesproken locatie hebben zij aangever gevraagd met hen mee te lopen. Ook hebben zij hem gevraagd zijn [platform] -account te verwijderen en zijn vader te bellen. Verdachte wist dat [medeverdachte] een vuurwapen mee zou nemen. Met betrekking tot de aanwezigheid van het mes heeft verdachte verklaard dat hij dit mes van [medeverdachte] heeft gekregen. Verdachte ontkent de bedreigingen te hebben geuit en verklaart dat de aangetroffen chatberichten met [medeverdachte] grotendeels grootspraak zijn.
[medeverdachte] bevestigt de confrontatie met aangever en heeft verklaard dat zij aangever wilden laten schrikken door te zeggen dat zij hem pijn zouden doen. [medeverdachte] bekent dat hij zijn rits heeft geopend en vervolgens het pistool heeft laten zien.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich op 15 november 2024 te Rotterdam met een ander schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. Uit de aard van de gedraging, de strekking van de handelingen en de gegeven omstandigheden volgt dat verdachte het opzet had om bij aangever de redelijke vrees op te wekken dat verdachte hem wilde doden. Dat deze redelijke vrees daadwerkelijk bij aangever is ontstaan, blijkt uit de bewijsmiddelen. Zo verklaart aangever in zijn aangifte dat hij erg geschrokken was van het incident en dat hij zijn leven aan zich voorbij zag flitsen.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich op 15 november 2024 te Rotterdam met een ander schuldig heeft gemaakt aan dwang. Door de gecreëerde situatie, namelijk het dreigen met geweld (onder bedreiging van een vuurwapen), heeft aangever zich bedreigd en gedwongen gevoeld om gehoor te geven aan hetgeen hem werd opgedragen, namelijk het verwijderen van gegevens, waaronder zijn [platform] -account, en het bellen van zijn vader. Gelet op deze omstandigheden staat vast dat de gedragingen van aangever niet vrijwillig hebben plaatsgevonden en dat het handelen van verdachte wederrechtelijk was.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich op 15 november 2024 in Nederland met een ander schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en twee patroonmagazijnen.
Aangezien verdachte heeft verklaard dat hij van de aanwezigheid van het wapen wist is de vraag die de rechtbank nog moet beantwoorden of verdachte ook de beschikkingsmacht had over het wapen en de bijbehorende munitie. Daarover overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat het vuurwapen en de munitie zich in de jaszak van [medeverdachte] bevonden, niet betekent dat verdachte daarover geen beschikkingsmacht had. Bij een gezamenlijke uitvoering als deze zal het wapen immers door één van de verdachten feitelijk moeten worden gedragen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte] voorafgaand hebben besproken dat het vuurwapen zou worden meegenomen naar de door hen voorbereide confrontatie. Vervolgens hebben zij het vuurwapen ook daadwerkelijk meegenomen. Verdachte heeft zich daarmee aangesloten bij de beslissing om het wapen en de bijbehorende munitie mee te nemen en had, hoewel hij het vuurwapen en de munitie niet zelf droeg, samen met [medeverdachte] de beschikkingsmacht daarover.
Medeplegen ten aanzien van feiten 1 t/m 3
De rechtbank acht ten aanzien deze feiten medeplegen bewezen en overweegt daartoe het volgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk het initiatief hebben genomen om een ontmoeting met aangever te regelen. Ook hebben zij gezamenlijk besproken hoe zij aangever wilden confronteren. Daarbij is onder meer gesproken over het meenemen van messen en een alarm (wat de rechtbank interpreteert als een alarmpistool), het lokken van aangever naar een afgelegen locatie en het dwingen van aangever om mensen te bellen. Er is daarmee sprake geweest van een gezamenlijke voorbereiding en onderlinge afstemming met betrekking tot een vooropgezet plan, waarvan de bedreiging, het dwingen tot het verwijderen van gegevens, het laten bellen en het meenemen van een vuurwapen en een mes deel uitmaakten. Verdachte had niet alleen wetenschap van dit plan maar heeft het samen met [medeverdachte] bedacht en uitgevoerd. Het handelen van verdachte en [medeverdachte] is onmiskenbaar gericht geweest op de uitvoering van dat plan.
Dat verdachte stelt dat hij zelf geen vuurwapen of mes heeft meegenomen en niet zelf de bedreigingen heeft geuit, doet niets af aan het voorgaande. Uit het chatgesprek van de dag en ochtend voorafgaand aan het incident volgt dat verdachte en [medeverdachte] het plan uitvoerig met elkaar bespreken, waarbij ook over en weer zeer nadrukkelijk wordt gesproken over het meenemen van messen en een alarmpistool. Er is dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, waaronder de bekentenis van verdachte, bewezen dat verdachte zich op 15 november 2024 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vouwmes.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 1 (bedreiging) en feit 2 (dwang) sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende bepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van zaak A
op 5 november 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander zonder consent twee wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten (Zaaksdossier 3):
- een gaspistool van het merk/type Zoraki 918 (9mm P.A.K.), en
- een gaspistool van het merk/type Zoraki 917-p (9mm P.A.K.),
zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool heeft doen binnenkomen.
Ten aanzien van zaak B
1
op 15 november 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door:
- die [benadeelde partij] een vuurwapen te tonen,
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen: "ik steek je neer", althans woorden van gelijke aard of strekking, terwijl verdachte zijn hand in zijn zak had en
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen: "we schieten je neer", "je geeft je telefoon òf je gaat dood" en "jouw leven is voorbij als je niet doet wat er gezegd wordt", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2
op 15 november 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander [benadeelde partij] , door bedreiging met geweld die [benadeelde partij] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen te weten het verwijderen van zijn [platform] account en het verwijderen van andere gegevens uit zijn telefoon en één persoon te bellen, door:
- die [benadeelde partij] een vuurwapen te tonen en
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen: "ik steek je neer" terwijl verdachte zijn hand in zijn zak had en
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen: "we schieten je neer" en "je geeft je telefoon òf je gaat dood" en "jouw leven is voorbij als je niet doet wat er gezegd wordt", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
3
op 15 november 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, nl. een gaspistool van het merk/type Zoraki 917-P, kaliber 9 mm PAK en een 2 patroonmagazijnen, voorhanden heeft gehad;
4
op 15 november 2024 in Nederland, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vouwmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 Strafbaarheid van het feit
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7 Motivering van de straffen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het adolescentenstrafrecht wordt toegepast en dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 90 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandeling en een zinvolle dagbesteding te worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, gelet op het blanco strafblad van verdachte en het advies van de reclassering.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedreiging, dwang en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het voorhanden hebben een mes. Verdachte heeft zich via [platform] voorgedaan als een vijftienjarig meisje om op die wijze een afspraak met aangever te maken en hem vervolgens daarmee te confronteren. Verdachte is samen met een ander naar deze afspraak gegaan en heeft daarbij een vuurwapen, munitie en een mes meegenomen. Tijdens deze confrontatie hebben zij aangever met het vuurwapen bedreigd en hem gedwongen zijn [platform] -account en andere gegevens te verwijderen en zijn vader te bellen. De rechtbank overweegt dat verdachte hiermee op vergaande wijze voor eigen rechter heeft gespeeld. Met dit gedrag, een zelf geïnitieerde zogenaamde pedohunt, heeft verdachte op een onacceptabele manier voor eigen rechter willen spelen. Dat dit steeds vaker voorkomt is een zeer zorgelijke ontwikkeling en het moet duidelijk zijn dat dit gedrag niet wordt getolereerd. Deze feiten maken namelijk niet alleen een enorme inbreuk op de vrijheid en lichamelijke integriteit van de slachtoffers, maar zijn daarnaast in een rechtsstaat onaanvaardbaar.
Verdachte heeft voor bovengenoemde feiten enige dagen vastgezeten en is vervolgens onder voorwaarden geschorst. Tijdens die schorsing heeft hij zich – terwijl hij een gewaarschuwd man was en onder toezicht stond van de jeugdreclassering – wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, door het medeplegen van de invoer van twee gaspistolen. Dit is een ernstig misdrijf. Het is algemeen bekend dat het ongecontroleerde bezit van wapens een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt en tot grote onveiligheid in de maatschappij leidt. Verdachte heeft met zijn handelen meegewerkt aan het in stand houden van deze onveiligheid.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 23 juni 2026. Hieruit volgt dat de reclassering bij een veroordeling adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: meldplicht, ambulante behandeling en zinvolle dagbesteding.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ouder is dan 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan volgens de wet het adolescentenstrafrecht (ASR) toegepast worden. Hierbij kunnen straffen of maatregelen uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd, indien daar aanleiding toe bestaat.
In de pro Justitia-rapportage van 19 mei 2026, opgesteld door psycholoog B. van den Berg, wordt aangegeven dat er geen indicaties worden gezien voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Verdachte is in staat de risico’s van zijn handelen in te schatten en er zijn geen aanwijzingen voor impulsiviteit of cognitieve beperkingen.
De reclassering ziet echter, in afstemming met de jeugdreclassering, wel aanknopingspunten voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Uit het advies van 23 juni 2026, dat ter terechtzitting nog nader is toegelicht, volgt dat verdachte met ADD gediagnosticeerd is, waardoor hij in bepaalde mate impulsief kan handelen en niet altijd de gevolgen van zijn gedrag voldoende voor ogen heeft. Daarnaast is sprake van een goedlopend toezicht door de jeugdreclassering, wat positieve resultaten lijkt op te leveren. Verder sluit de outreachende werkwijze van de jeugdreclassering op dit moment goed aan bij de leeftijdsfase waarin verdachte zich bevindt. Verdachte heeft de sturing nodig die de jeugdbescherming kan bieden. De jeugdbescherming kan hem bovendien tot aan zijn 21e levensjaar in beeld houden, een cruciale periode waarin verdachte zich op sociaal-emotioneel vlak nog verder kan ontwikkelen.
De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen en toepassing geven aan het adolescentenstrafrecht. Uit zowel de pro Justitia-rapportage als het reclasseringsadvies komt naar voren dat verdachte leidt aan AD(H)D en behoefte heeft aan structuur. De rechtbank schat daarom in dat de verdere ontwikkeling van verdachte gebaat is bij een daarop gericht strak kader van toezicht en begeleiding, waarbij (meer) ruimte is voor gedragsverandering. Toepassing van het adolescentenstrafrecht is echter niet alleen van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, maar ook in het belang van de maatschappij. Hiermee wordt immers ook beoogd om verdachte ervan te weerhouden dat hij zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd (LOVS-richtlijnen). Daaruit volgt dat voor een bedreiging met een vuurwapen als uitgangspunt een onvoorwaardelijke taakstraf vanaf 120 uren wordt gehanteerd. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen geldt als uitgangspunt een jeugddetentie vanaf zes weken.
Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse jeugddetentie en daarnaast een werkstraf. De rechtbank is van oordeel dat zowel aan de maatschappij als aan verdachte een signaal moet worden gegeven dat dergelijke gedragingen zwaar worden opgenomen. De rechtbank acht het wel van belang dat daarbij een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur en heeft tot doel verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken. Bovendien kan de reclassering daarmee verdachte passende begeleiding bieden.
De rechtbank houdt tot slot rekening met de eendaadse samenloop van feit 1 en 2 in zaak B.
Alles afwegende, legt de rechtbank een jeugddetentie op voor de duur van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten en een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld. Daarnaast legt zij verdachte een werkstraf op voor de duur van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie als deze straf niet of niet volledig wordt verricht.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte bepalen dat de bijzondere voorwaarden op grond van artikel 77z Sr en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht op grond van artikel 77aa Sr dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarbij is met name redengevend dat verdachte na geschorst te zijn voor het incident in Rotterdam weer de fout in is gegaan door samen met [medeverdachte] in Duitsland wapens aan te schaffen. Voortduring van het jeugdreclasseringscontact acht de rechtbank daarom absoluut noodzakelijk om recidive te voorkomen.
8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 1.240,- aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te
vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen. Volgens de officier van justitie komen het eigen risico over 2026 tot een bedrag van € 325,-, gelet op de daarop gegeven toelichting, en de schade aan de broek voor vergoeding in aanmerking. Voor het overige is de vordering volgens de officier van justitie onvoldoende onderbouwd.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade acht de officier van justitie volledig toewijsbaar. De officier van justitie heeft verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade, voor zover deze ziet op de schade aan de kleding van de benadeelde partij en het eigen risico, onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële
schade is toegebracht.
De vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de schade aan de broek en het eigen risico over de jaren 2025 en 2026 is door de verdediging betwist. De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de schade aan de broek voldoende is onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aangever direct na het incident in zijn aangifte heeft verklaard dat zijn broek als gevolg van het incident beschadigd is. De rechtbank zal het bedrag van € 332,- toewijzen. Ten aanzien van het gevorderde eigen risico overweegt de rechtbank dat uit de nagezonden stukken blijkt dat de benadeelde partij in 2026 een psycholoog heeft bezocht en dat hij hiervoor een bedrag van € 310,91 aan eigen risico heeft moeten voldoen. De rechtbank acht dit deel van de vordering dan ook voldoende onderbouwd en zal dit bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering ter zake van het eigen risico over de jaren 2025 en 2026 niet-ontvankelijk worden verklaard, vanwege het gebrek aan onderbouwing. Nadere bewijslevering zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De gevorderde reiskosten naar de psycholoog in [plaats] zijn door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal het bedrag van € 138,- toewijzen.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal (€ 332,- + € 310,91+ € 138) € 780,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Immateriële schade
De rechtbank beslist tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering voor zover deze strekt tot vergoeding van immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is in voldoende mate komen vast te staan dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft geleid tot nadeel dat niet in vermogensschade bestaat in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit de aangifte blijkt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen in zijn vlucht voor verdachte. Daarnaast is de benadeelde partij op een andere wijze in de persoon aangetast. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat hij sinds het incident intensieve psychologische behandeling volgt in verband met zijn angstklachten. Naar het oordeel van de rechtbank is in voldoende mate komen vast te staan dat dit geestelijk letsel mede is veroorzaakt door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade is niet betwist. De rechtbank ziet echter aanleiding om de hoogte van de vergoeding te matigen, gelet op de uitgangspunten van de Rotterdamse schaal. De rechtbank sluit aan bij categorie 19.5. Daarbij betrekt de rechtbank ook de vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- naar billijkheid passend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het overige deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal de betalingsverplichting hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat hij de feiten met een mededader heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het gehele bedrag aansprakelijk is. Indien de mededader een deel van het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat deel te betalen (en vice versa).
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
9 Beslag
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
-
STK GSM (G869001);
-
1 STK Vuurwerk (G869048);
-
1 STK Vuurwerk (G869049);
-
1 STK Vuurwerk (G869050);
-
1 STK Vuurwerk (G869051).
9.1.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon verbeurd dient te worden verklaard en dat het vuurwerk aan het verkeer dient te worden onttrokken.
9.1.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verbeurdverklaring van de telefoon disproportioneel is, gelet op de waarde van het apparaat en de korte periode waarin het appverkeer heeft plaatsgevonden.
9.1.3. Het oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Voorwerp 1 behoort aan verdachte toe. Het overleg tussen verdachte en [medeverdachte] vond op deze telefoon plaats. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat met het voorwerp de bewezen geachte feiten zijn begaan en dat het voorwerp dus vatbaar is voor verbeurdverklaring. De in beslag genomen telefoon zal daarom verbeurd verklaard worden.
Onttrekking aan het verkeer
Nu het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen 2, 3, 4, en 5 in strijd is met de wet, deze zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte werd verdacht en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, worden deze onttrokken aan het verkeer.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 47, 55, 57, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77x, 77z en 77aa, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 14, 26, 27, 54 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A
het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Ten aanzien van zaak B:
feit 1 en 2:
De eendaadse samenloop van:
het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
en
het medeplegen van een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.
Feit 3:
het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Feit 4:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat een deel van deze jeugddetentie, te weten 45 (vijfenveertig) dagen, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien veroordeelde gedurende de
proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
2. Ambulante behandeling
Dat veroordeelde meewerkt aan ambulante behandeling door forensische polikliniek [naam] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op het opstellen van een delictanalyse en/of andere problematiek.
3. Dagbesteding
Dat veroordeelde zich inspant voor het vinden dan wel behouden van betaald werk en/of het volgen en afronden van een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in art. 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Veroordeelt veroordeelde tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, subsidiair 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.280,91 (zegge: tweeduizend tweehonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade en € 780,91 aan vergoeding van materiële schade. Bepaalt dat de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de materiële schadevergoedingsvordering niet ontvankelijk is. Wijst af het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding.
Veroordeelt veroordeelde hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd. Hij is derhalve aan te spreken voor het gehele bedrag, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Legt aan veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van € 2.280,91 (zegge: tweeduizend tweehonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de opgelegde verplichtingen tot vergoeding
van deze schade.
Verklaart verbeurd:
1 STK GSM (G869001)
Onttrekt aan het verkeer:
-
1 STK Vuurwerk (G869048);
-
1 STK Vuurwerk (G869049);
-
1 STK Vuurwerk (G869050);
-
1 STK Vuurwerk (G869051).
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. B. Vogel en J.O. Rutten, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J. de Groot en J.L. Martens, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.
[...]