Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - meervoudig materieel strafrecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:700

Op 10 March 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van materieel strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 18.003437.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:700. De plaats van zitting was Assen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
18.003437.25
Datum uitspraak:
10 March 2026
Datum publicatie:
10 March 2026
Verwijzingen:
Wetboek van Strafrecht 326, Wetboek van Strafrecht 420ter, Wetboek van Strafrecht 57

Indicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor oplichting, meermalen gepleegd, medeplegen van oplichting, medeplegen van poging tot oplichting en medeplegen van gewoontewitwassen.

Opgelegd wordt: een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen waarvan 322 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder oplegging van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank overweegt daartoe onder meer het volgende:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van personen, bedrijven en personen die verbonden zijn aan kerkelijke instellingen, een poging tot oplichting en gewoontewitwassen. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een groot aantal feiten. Verdachte heeft bij de gepleegde oplichtingen stelselmatig op een verwerpelijke manier misbruik gemaakt van het vertrouwen van anderen in de medemens. Verdachte heeft door zielige verhalen op te hangen bij de slachtoffers het vertrouwen gewekt dat zij zou betalen voor goederen (fietsen en elektronica) of dat zij de gevraagde geldbedragen (aan de personen die verbonden zijn aan de kerkelijke instellingen) zou terugbetalen. Verdachte heeft een groot aantal kleine ondernemers benadeeld, die in het algemeen voor het draaien van hun onderneming (fietsen- en elektronicawinkels) veelal afhankelijk zijn van het vertrouwen dat zij over en weer met hun klanten opbouwen. Door de oplichting van de aan kerkelijke instellingen verbonden personen heeft verdachte de menslievendheid van deze personen en instellingen ernstig misbruikt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.003437.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , thans verblijvende: [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de inhoudelijke terechtzittingen van 1 juli 2025 en 10 februari 2026 en de sluitingszitting van 5 maart 2026.

Verdachte is op voornoemde zittingsdagen verschenen, bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.

Het openbaar ministerie is op de inhoudelijke zittingsdagen vertegenwoordigd door mr. I.M. Schaafsma en op de sluitingszitting door mr. H.J. Veen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september 2024 tot en met 5 januari 2025, te Emmen en/of [plaats] en/of [plaats] en/of Coevorden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de hierna genoemde personen en/of bedrijven heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meerdere elektrische fiets(en), althans enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld (te weten het aangaan van een koopovereenkomst voor het kopen van één of meer elektrische fietsen en het vervolgens afgeven van een of meerdere elektrische leenfietsen)/of het teniet doen van een inschuld,

op tijd en plaats daarbij vermeld, te weten

in of omstreeks de periode van 27 september 2024 en 5 januari 2025 te Emmen, fietsenzaak [bedrijf 1] bewogen heeft tot de afgifte van drie elektrische fietsen, althans een of meerdere elektrische fietsen (merken Trenergy type E relax pro en/of Voque en/of Freebike), in elk geval enig goed en/of

in of omstreeks de periode van 28 september 2024 en 5 januari 2025 te [plaats] , [bedrijf 2] bewogen heeft tot de afgifte van een elektrische fiets (merk Pegasus Sienna), in elk geval enig goed en/of

in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 en 5 januari 2025 te [plaats] , fietsenwinkel [bedrijf 3] bewogen heeft tot de afgifte van twee elektrische fietsen, althans een of meerdere elektrische fietsen (merk Senza type I Travel Pro), in elk geval enig goed en/of

in of omstreeks de periode van 3 oktober 2024 en 5 januari 2025 te Coevorden, [bedrijf 4] bewogen heeft tot de afgifte van drie elektrische fietsen, althans een of meerdere elektrische fietsen, in elk geval enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een (bonafide) tot betaling bereid zijnde klant en/of te

zeggen/suggereren dat de elektrische leenfietsen terug gebracht zouden worden en/of met gebruikmaking van de (valse) naam [valse naam 1] en/of (valse) woonplaats [woonplaats] en/of (vals) adres [adres] , waardoor een of meerdere medewerker(s) van de bovengenoemde

bedrijven werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september 2024 tot en met 5 januari 2025 te Emmen en/of [plaats] en/of [plaats] en/of Coevorden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meerdere elektrische fiets(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen personen en/of bedrijven, op tijd en plaats daarbij vermeld, te weten

in of omstreeks de periode van 27 september 2024 en 5 januari 2025 te Emmen, drie elektrische fietsen (merken Trenergy type E relax pro en/of Voque en/of Freebike), althans een of meerdere elektrische fietsen, toebehorende aan fietsenzaak [bedrijf 1] en/of

in of omstreeks de periode van 28 september 2024 en 5 januari 2025 te [plaats] , een elektrische fiets (merk Pegasus Sienna), toebehorende aan van [bedrijf 2] en/of

in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 en 5 januari 2025 te [plaats] , twee elektrische fietsen (merk Senza type I Travel Pro), althans een of meerdere elektrische fietsen, toebehorende aan fietsenwinkel [bedrijf 3] en/of

in of omstreeks de periode van 3 oktober 2024 en 5 januari 2025 te Coevorden, drie elektrische fietsen, althans een of meerdere elektrische fietsen, toebehorende aan [bedrijf 4] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders,

en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als lener van die goederen en/of onder de toezegging van betaling van de gekochte goederen,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september 2024 tot en met 5 januari 2025 te Emmen en/of [plaats] en/of [plaats] en/of Coevorden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, een of meerdere goed(eren), te weten elektrische fiets(en) (merken Pegasus Sienna en/of Trenergy en/of Vogue en/of Freebike en/of Senza)

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat/een voorwerp(en), te weten voornoemd(e) elektrische fietsen gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de

verplaatsing ervan heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende was en/of wie die/dit (voornoemde) voorwerp(en) voorhanden had,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die/dit voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/was uit enig (eigen) misdrijf en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december 2024 tot en met 5 januari 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een of meerdere laptops en/of iPads en/of computer accessoires,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als een (bonafide) tot betaling bereid zijnde klant en/of te zeggen/suggereren dat de leenlaptops en/of iPads en/of accessoires terug gebracht zouden worden en/of met gebruikmaking van de (valse) naam [valse naam 2] en/of [valse naam 3] en/of (valse) woonplaats [woonplaats] en/of (vals) adres [adres] , waardoor een of meerdere medewerker(s) van de bovengenoemde bedrijven werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december 2024 tot en met 5 januari 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk een of meerdere laptops en/of iPads en/of computer accessoires, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders,

en welk goed(eren) verdachte en/of haar mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als lener van die goederen en/of onder de toezegging van betaling van de gekochte goederen,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december 2024 tot en met 5 januari 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een of meerdere goed(eren), te weten een of meerdere laptops en/of iPads en/of computer accessoires, in elk geval enig goed, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat/een voorwerp(en), te weten voornoemd(e) laptops en/of iPads en/of computer accessoires, althans een hoeveelheid gegevensdragers, gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing ervan heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende was en/of wie die/dit (voornoemde) voorwerp(en) voorhanden had,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die/dit voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

3

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de hierna genoemde personen en/of bedrijven heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 1268,- euro, althans (telkens) een hoeveelheid geld,

op tijd en plaats daarbij vermeld, te weten

op of omstreeks 26 oktober 2024, Protestantse gemeente [plaats] , dominee [slachtoffer 1] , een geldbedrag van (in totaal) 290,- en/of

op of omstreeks 22 oktober 2024, Protestantse gemeente [plaats] , predikant [slachtoffer 2] , een geldbedrag van (in totaal) 110,- en/of

op of omstreeks 25 november 2024, Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] , voorzitter [slachtoffer 3] , een geldbedrag van (in totaal) 270,- en/of

op of omstreeks 20 november 2024, diaconie van de Protestantse Gemeente [plaats] , [slachtoffer 4] , een geldbedrag van (in totaal) 94,60 en/of

in of omstreeks 18 tot en met 20 november 2024, Protestantse gemeente [plaats] , predikant [slachtoffer 5] , een geldbedrag van (in totaal) 185,- en/of

op of omstreeks 17 november 2024, Kerkgemeenschap [plaats] vrienden van de dorpskerk, [slachtoffer 6] , een geldbedrag van (in totaal) 104,- en/of

op of omstreeks 19 november 2024, diaconie van [plaats] , [slachtoffer 7] , een geldbedrag van (in totaal) 90,- en/of

op of omstreeks 1 november 2024, diaken bij de Protestantse gemeente [plaats] , [slachtoffer 8] , een geldbedrag van (in totaal) 125,-

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

informatie omtrent het/een te benaderen bedrijf/bedrijven en/of organisatie(s) gezocht via internet, en/of

naar genoemde personen gebeld, die bij een/dat bedrijf en/of organisatie was betrokken, en/of (vervolgens) (telefonisch) jegens die persoon

zich gepresenteerd heeft onder een valse naam, te weten [valse naam 4] , althans een valse naam, en/of gebruik heeft gemaakt van een diverse valse plaatsnamen waar zij, verdachte, zou wonen en/of

tegen de voornoemde personen gezegd dat zij, verdachte, geld nodig had voor medicijnen en/of een (regio)taxi en/of voor het betalen van gas/licht en/of

bovengenoemde perso(o)n(en) heeft beloofd dat zij het geld later terug zou geven, terwijl zij van te voren wist dat zij het geld niet terug zou betalen, waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgiftes;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meerdere geldbedragen van (in totaal) 1268,- euro, in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen personen en/of bedrijven, op tijd en plaats daarbij vermeld, te weten

op of omstreeks 26 oktober 2024, Protestantse gemeente [plaats] , dominee [slachtoffer 1] , een geldbedrag van (in totaal) 290,- en/of

op of omstreeks 22 oktober 2024, Protestantse gemeente [plaats] , predikant [slachtoffer 2] , een geldbedrag van (in totaal) 110,- en/of

op of omstreeks 25 november 2024, Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] , voorzitter [slachtoffer 3] , een geldbedrag van (in totaal) 270,- en/of

op of omstreeks 20 november 2024, diaconie van de Protestantse Gemeente [plaats] , [slachtoffer 4] , een geldbedrag van (in totaal) 94,60 en/of

in of omstreeks 18 tot en met 20 november 2024, Protestantse gemeente [plaats] , predikant [slachtoffer 5] , een geldbedrag van (in totaal) 185,- en/of

op of omstreeks 17 november 2024, Kerkgemeenschap [plaats] vrienden van de dorpskerk, [slachtoffer 6] , een geldbedrag van (in totaal) 104,- en/of

op of omstreeks 19 november 2024, diaconie van [plaats] , [slachtoffer 7] , een geldbedrag van (in totaal) 90,- en/of

op of omstreeks 1 november 2024, diaken bij de Protestantse gemeente [plaats] , [slachtoffer 8] , een geldbedrag van (in totaal) 125,-

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders,

en welk goed(eren) verdachte en/of haar mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als lener van die geldbedragen onder de toezegging van terugbetaling,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 1268,- euro, althans een geldbedrag,

(a)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of

heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was dan wel was/waren, en/of

heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerpen(en) voorhanden had(den), en/of (b)

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of

gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen dan wel dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

4

zij op of omstreeks 11 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 9] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van 52,-, althans enig geldbedrag,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

informatie omtrent het/een te benaderen bedrijf/bedrijven en/of organisatie(s) gezocht via internet, en/of

naar genoemde persoon gebeld, die bij een/dat bedrijf en/of organisatie was betrokken, en/of (vervolgens) (telefonisch) jegens die persoon

zich gepresenteerd heeft onder een valse naam, te weten [valse naam 4] , althans een valse naam, en/of gebruik heeft gemaakt van een valse plaatsnaam waar zij, verdachte, zou wonen en/of

tegen de voornoemde persoon gezegd dat zij, verdachte, geld nodig had voor medicijnen en/of een (regio)taxi en/of

bovengenoemd persoon heeft beloofd dat zij het geld later terug zou geven, terwijl zij van te voren wist dat zij het geld niet terug zou betalen, waardoor voornoemd persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgiftes,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 oktober 2024 tot en met 16 december 2024 te Emmen en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 9.085, althans 7.817,-euro, althans enig geldbedrag,

(a)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of

heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was dan wel was/waren, en/of

heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerpen(en) voorhanden had(den), en/of (b)

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of

gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen dan wel dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 en feit 5.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde geen verweer gevoerd. Met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde medeplegen van witwassen heeft de raadsman opgemerkt dat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is van witwassen ten aanzien van het gehele in de tenlastelegging opgenomen bedrag. De criminele herkomst van een deel van het geld staat niet vast. Er is namelijk ook sprake van legitieme betalingen die zien op hulp en leefgeld aan verdachte. Bovendien is onduidelijk of verdachte betrokken was bij alle transacties op de rekening van medeverdachte [medeverdachte] . Zo heeft verdachte niet de gehele tenlastegelegde periode bij medeverdachte [medeverdachte] verbleven. Gelet hierop kan slechts bewezenverklaring volgen ten aanzien van een lager bedrag. Ook het tenlastegelegde gewoontewitwassen kan daarom niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van feit 1

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 november 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaakregistratienummer PL0100-2024321360 opgemaakt en gesloten op 4 maart 2025, inhoudend de verklaring van [naam 5] namens fietsenzaak [bedrijf 1] ;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 november 2024, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[naam 6] namens [bedrijf 2] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 november 2024, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[naam 7] namens [bedrijf 3] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 oktober 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[naam 8] namens [bedrijf 4] .

Ten aanzien van feit 2

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2025, opgenomen op pagina 98 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[naam 9] namens [bedrijf 6] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2025, opgenomen op pagina 111 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[naam 10] namens [bedrijf 5] . Ten aanzien van feit 3

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 oktober 2024, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 1] namens Protestantse gemeente [plaats] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 november 2024, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 2] namens Protestantse gemeente [plaats] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2024, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 3] namens Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 december 2024, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 4] namens de Protestantse Gemeente [plaats] ;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november 2024, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 5] namens Protestantse gemeente [plaats] ;

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 december 2024, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 6] namens Kerkgemeenschap [plaats] vrienden van de dorpskerk;

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2024, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 7] namens de diaconie van [plaats] ;

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 november 2024, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 8] namens de Protestantse gemeente [plaats] ;

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte;

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 139 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] .

Ten aanzien van feit 4

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 november 2024, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 9] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 139 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] .

Ten aanzien van feit 5

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2025 met bijlagen, opgenomen op pagina 44 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaakregistratienummer PL0100-2024321394 opgemaakt en gesloten op 4 februari 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 139 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] .

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 5 ten laste gelegde

Aan verdachte is - zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat zij in de periode van 22 oktober 2024 tot en met 16 december 2024 tezamen en in vereniging met een ander (te weten [medeverdachte] ) een geldbedrag van in totaal 9.085,- heeft witgewassen, en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar een bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2025 met afschriften van de rekeningnummers van [medeverdachte] waarop 172 verdachte geldtransacties staan vermeld met een totaal bedrag van 9.085,-. De transacties zijn als verdacht aangemerkt omdat in de omschrijving verwijzingen zijn opgenomen naar de gebruikte modus operandi van de onder feit 3 tenlastegelegde oplichtingen, waaronder taxi, noodhulp, medicatie, gift, brandstof, stille hulp, noodrecept apotheek, diaconale hulp. Tevens verwezen enkele namen van de rekeninghouders naar kerkelijke instellingen.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de ten laste gelegde geldbedragen middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

De rechtbank overweegt dat alleen met betrekking tot de 8 geldtransacties genoemd onder feit 3, ten bedrage van in totaal 1.268,-, met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren omdat zij bij het plegen van die betreffende misdrijven betrokken is geweest.

Voor wat betreft de herkomst van de overige bedragen kan de rechtbank niet vaststellen dat het oplichtingen betreft waarbij verdachte betrokken is geweest of dat verdachte op een andere manier moet hebben geweten dat die bedragen van misdrijf afkomstig waren. Aan de hand van het dossier kan niet worden vastgesteld wanneer de (overige) geldtransacties hebben plaatsgevonden en of verdachte van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt. Verdachte kon gebruik maken van de bankrekening van [medeverdachte] in de periode dat zij bij hem in huis woonde (van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024). Hoewel de omschrijvingen bij de transacties erop duiden dat sprake is geweest van een vergelijkbare modus operandi als bij de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat het overige bedrag van 7.817,- ( 9.085,- minus 1.268,-), dat tussen 22 oktober 2024 en 16 december 2024 door 164 contante stortingen op de rekening van medeverdachte [medeverdachte] terechtgekomen is, van oplichtingshandelingen van deze verdachte afkomstig was en dat zij dat overige bedrag met haar medeverdachte voorhanden heeft gehad. Op grond van het proces-verbaal kan immers niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat anderen dan verdachte de bedoelde oplichtingshandelingen hebben verricht. De rechtbank zal verdachte daarom van

het witwassen van dit overige bedrag vrijspreken.

Dat verdachte, na ontvangst van het geld dat van de door haar wel gepleegde oplichtingen afkomstig is, verbergings- of verhullingshandelingen heeft gepleegd volgt niet uit het dossier zodat de rechtbank haar daarvan ook zal vrijspreken. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte het geldbedrag van 1.268,-heeft verworven en omgezet, voorhanden heeft gehad en van dat bedrag gebruik heeft gemaakt. Door de aangevers van de onder feit 3 ten laste gelegde oplichtingen zijn geldbedragen op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] gestort. Dat geld is vervolgens door verdachte en medeverdachte gebruikt voor de aankoop van boodschappen en drugs.

Gelet op de frequentie van de geldtransacties die in verband staan met de door verdachte gepleegde oplichtingen en de duur van de periode waarin deze transacties hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte van het bewezenverklaarde witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

zij in de periode van 27 september 2024 tot en met 5 januari 2025, te Emmen en [plaats] en [plaats] en Coevorden, meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere elektrische fietsen, op tijd en plaats daarbij vermeld, te weten

in de periode van 27 september 2024 en 5 januari 2025 te Emmen, fietsenzaak [bedrijf 1] bewogen heeft tot de afgifte van drie elektrische fietsen (merken Trenergy type E relax pro en/of Vogue en/of Freebike), en

in de periode van 28 september 2024 en 5 januari 2025 te [plaats] , [bedrijf 2] bewogen heeft tot de afgifte van een elektrische fiets , en

in de periode van 1 oktober 2024 en 5 januari 2025 te [plaats] , fietsenwinkel [bedrijf 3] bewogen heeft tot de afgifte van twee elektrische fietsen (merk Senza type I Travel Pro), en

in de periode van 3 oktober 2024 en 5 januari 2025 te Coevorden, [bedrijf 4] bewogen heeft tot de afgifte van drie elektrische fietsen,

hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een bonafide tot betaling bereid zijnde klant en/of te suggereren dat de elektrische leenfietsen terug gebracht zouden worden en/of met gebruikmaking van de valse naam [valse naam 1] en/of vals adres [adres] , waardoor medewerkers van de bovengenoemde bedrijven werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2

zij in de periode van 21 december 2024 tot en met 5 januari 2025 te Coevorden en [plaats] , meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 5] en [bedrijf 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten afgifte van een of meerdere laptops en iPads en computeraccessoires,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als een bonafide tot betaling bereid zijnde klant te suggereren

dat de leenlaptops en iPads en accessoires teruggebracht zouden worden en met gebruikmaking van de valse naam [valse naam 2] en [valse naam 3] en valse woonplaats [plaats] en vals adres [adres] , waardoor medewerkers van de bovengenoemde bedrijven werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3

zij in de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024 te [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] ,

meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten afgifte van een geldbedrag van in totaal 1.268,-, op tijd en plaats daarbij vermeld,

te weten,

tezamen en in vereniging met een ander:

- in de periode van 18 tot en met 20 november 2024, Protestantse gemeente [plaats] , predikant [slachtoffer 5] , een geldbedrag van in totaal 185,- en

alleen:

op 26 oktober 2024, Protestantse gemeente [plaats] , dominee [slachtoffer 1] , een geldbedrag van in totaal 290,- en

op 22 oktober 2024, Protestantse gemeente [plaats] , predikant [slachtoffer 2] , een geldbedrag van in totaal 110,- en

op 25 november 2024, Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] , voorzitter [slachtoffer 3] , een geldbedrag van in totaal 270,- en

op 20 november 2024, diaconie van de Protestantse Gemeente [plaats] , [slachtoffer 4] , een geldbedrag van in totaal 94,60 en

op 17 november 2024, Kerkgemeenschap [plaats] vrienden van de dorpskerk, [slachtoffer 6] , een geldbedrag van in totaal 104,- en

op 19 november 2024, diaconie van [plaats] , [slachtoffer 7] , een geldbedrag van in totaal 90,- en

op 1 november 2024, diaken bij de Protestantse gemeente [plaats] , [slachtoffer 8] , een geldbedrag van in totaal 125,-,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

informatie omtrent te benaderen organisaties gezocht via internet, en

naar genoemde personen gebeld, die bij die organisaties waren betrokken, en vervolgens telefonisch jegens die personen

zich gepresenteerd heeft onder een valse naam, te weten [valse naam 4] , en gebruik heeft gemaakt van diverse valse plaatsnamen waar zij, verdachte, zou wonen en

tegen de voornoemde personen gezegd dat zij, verdachte, geld nodig had voor medicijnen en/of een regiotaxi en/of voor het betalen van gas/licht en

bovengenoemde personen heeft beloofd dat zij het geld later terug zou geven, terwijl zij van te voren wist dat zij het geld niet terug zou betalen, waardoor voornoemde personen werden bewogen tot

bovenomschreven afgiftes;

4

zij op 11 november 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 9] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 52,-,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

informatie omtrent een te benaderen organisatie gezocht via internet, en

naar genoemde persoon gebeld, die bij die organisatie was betrokken, en vervolgens telefonisch jegens die persoon

zich gepresenteerd heeft onder een valse naam, te weten [valse naam 4] , en

tegen de voornoemde persoon gezegd dat zij, verdachte, geld nodig had voor medicijnen en een taxi en

bovengenoemd persoon heeft beloofd dat zij het geld later terug zou geven, terwijl zij van te voren wist dat zij het geld niet terug zou betalen, waardoor voornoemd persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgiftes,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5

zij in de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, een voorwerp, te weten meerdere geldbedragen van in totaal 1.268,-,

heeft verworven, voorhanden gehad, en omgezet, en

gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten, dat die voorwerpen geheel - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. oplichting, meermalen gepleegd,

2. oplichting, meermalen gepleegd,

3. oplichting, meermalen gepleegd, en medeplegen van oplichting,

4. medeplegen van poging tot oplichting,

5. medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Overwegingen

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 5 maart 2026 zijn eerdere strafeis gewijzigd en gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 323 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het aanvullend reclasseringsadvies van 4 maart 2026.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 5 maart 2026 aangegeven dat hij zich kan vinden in de strafeis van de officier van justitie. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat verdachte zeer gemotiveerd is om mee te werken aan de voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsrapport van 4 maart 2026.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van personen, bedrijven en personen die verbonden zijn aan kerkelijke instellingen, een poging tot oplichting en gewoontewitwassen. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een groot aantal feiten.

Verdachte heeft bij de gepleegde oplichtingen stelselmatig op een verwerpelijke manier misbruik gemaakt van het vertrouwen van anderen in de medemens. Verdachte heeft door zielige verhalen op te hangen bij de slachtoffers het vertrouwen gewekt dat zij zou betalen voor goederen (fietsen en elektronica) of dat zij de gevraagde geldbedragen (aan de personen die verbonden zijn aan de kerkelijke instellingen) zou terugbetalen. Verdachte heeft een groot aantal kleine ondernemers benadeeld, die in het algemeen voor het draaien van hun onderneming (fietsen- en elektronicawinkels) veelal afhankelijk zijn van het vertrouwen dat zij over en weer met hun klanten opbouwen. Door de oplichting van de aan kerkelijke instellingen verbonden personen heeft verdachte de menslievendheid van deze personen en instellingen ernstig misbruikt. Verdachte deed alsof zij (in sommige gevallen zelfs dringend) medicatie en dergelijke en/of een taxi of brandstof nodig had en hiervoor geen geld had. In sommige gevallen heeft verdachte zelfs voorgewend een ernstige ziekte, zoals eierstokkanker of diabetes, te hebben of incontinent te zijn.

Door dit soort gedragingen zorgt verdachte ervoor dat mensen elkaar gaan wantrouwen en zullen echte hulpbehoevenden vaker achter het net vissen, terwijl zij deze hulp wel echt nodig hebben en die hulp ook hiervoor is bedoeld.

Verdachte is blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 26 mei 2025 eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en zij heeft naast lange gevangenisstraffen ook een (gemaximeerde) terbeschikkingstelling met dwangverpleging ondergaan in verband met soortgelijke feiten. De onderhavige feitenreeks illustreert dat verdachte van deze eerdere veroordelingen niets heeft geleerd en zich daar ook niet door laat weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Gelet op de aard en ernst van de gepleegde feiten in combinatie met het strafblad van verdachte, is als uitgangspunt een langdurige, grotendeels onvoorwaardelijke, gevangenisstraf op zijn plaats. Verdachte zal na een straf evenwel terugkeren in de samenleving. Gelet op de hardnekkige problematiek van verdachte op vrijwel alle leefgebieden acht de rechtbank het aangewezen dat zij met begeleiding en onder strikte voorwaarden haar leven buiten detentie kan opbouwen. Na enorme inzet van de reclassering is er een instelling voor begeleid wonen en maatschappelijke opvang bereid gevonden om verdachte per direct op te nemen. De rechtbank acht het in geval van verdachte aangewezen dat deze mogelijkheid wordt benut.

De rechtbank zal daarom een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan bijzondere voorwaarden verbinden die gericht zijn op het verminderen van het recidiverisico.

De invulling van het voorwaardelijk strafdeel zal hieronder nader worden toegelicht.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het meest recente reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 januari 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, komt met betrekking tot de persoon van verdachte het volgende naar voren.

Verdachte is een 54-jarige vrouw die haar leven al jaren niet op orde heeft. Op alle leefgebieden zijn zorgen. Verdachte heeft geen onderdak, geen aanvaardbare dagbesteding, schulden en een negatief sociaal netwerk. Er is tevens sprake van middelengebruik. In 2021 is zij door het NIFP gediagnosticeerd met borderline problematiek met antisociale trekken en een beneden gemiddelde intelligentie. Uit de meest recente diagnostiek, uitgevoerd door de Woenselse Poort in 2025, blijkt dat er niet tot een betrouwbare diagnostiek kan worden gekomen doordat verdachte geen betrouwbare gegevens aanlevert. Diverse woon- en behandeltrajecten hebben niet geleid tot stabilisatie in haar leven, mede doordat

verdachte niet in staat is gebleken om zich aan voorwaarden en afspraken te houden. Vanuit de reclassering is de ervaring dat er sprake is van instrumenteel en manipulatief handelen. Het lopend toezicht is teruggelegd bij de rechtbank. De reclassering ziet voor nu geen beschermende factoren.

De reclassering heeft recent nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor verdachte voor begeleid en/of beschermd wonen in zowel de reguliere zorg als in de forensische zorg. De uitkomst hiervan is dat er, vanwege de complexe problematiek van verdachte, het ontbreken van voorliggende forensische diagnostiek en het mislukken van eerdere woontrajecten, geen concrete oplossing voorhanden is.

De zaak van verdachte is ook ingebracht in het tbs-team en in het veelplegersteam. Doordat er geen voorliggende forensische diagnostiek is zijn de mogelijkheden voor verdachte beperkt. Daarbij is er geen tbs-kader om verdachte te plaatsen. Het tbs-team heeft aangegeven dat een WLZ-indicatie de meeste mogelijkheden biedt. Vanwege de complexiteit van de casus en het feit dat meerdere woonbegeleidingstrajecten door toedoen van verdachte zijn mislukt verwacht het tbs-team dat verdachte zich ook bij een nieuwe plaatsing niet kan houden aan de afspraken en voorwaarden die worden gesteld.

Het veelplegersteam heeft aangegeven dat verdachte niet voor een veelplegerstatus en/of ISD-maatregel in aanmerking komt omdat de zaken gevoegd zijn en derhalve als één tellen. Zowel het tbs-team als het veelplegersteam hebben gewezen op de mogelijkheid dat in detentie een detentie- en re-integratieplan kan worden opgesteld waarin ook de woonmogelijkheden worden meegenomen. Dit zou ook kunnen in een v.i.-kader.

De reclassering acht, gelet op het strafblad van verdachte en de actuele problemen op diverse leefgebieden, een hoog risico op herhaling zeer aannemelijk maar onthoudt zich van strafadvies. De problematiek van verdachte is dusdanig complex dat niet tot diagnostiek kan worden gekomen. Door de complexe problematiek zal woonbegeleiding en/of behandeling moeilijk uitvoerbaar zijn. Een recent toezicht is bovendien teruggelegd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden en afspraken hield.

Verdachte laat weinig daderschap zien: zij neemt geen verantwoordelijkheid voor haar delictgedrag en is geneigd alles buiten zichzelf of bij anderen neer te leggen. In de contacten met de reclassering stelt verdachte zich claimend op. Gelet hierop denkt de reclassering dat het opleggen van bijzondere voorwaarden met toezicht naar verwachting niet voldoende zal zijn.

De reclassering geeft daarbij aan dat zij zich realiseert dat verdachte op enig moment zal terugkeren in de maatschappij en dat zij bij het ontbreken van de basisvoorwaarden als onderdak en inkomen terug zal vallen in delictgedrag.

Op 4 maart 2026 heeft Reclassering Nederland aanvullend gerapporteerd. Uit deze rapportage komt naar voren dat verdachte is aangemeld bij [instelling] , dat zij op 2 maart 2026 een intakegesprek heeft gehad en dat [instelling] heeft aangegeven dat verdachte met ingang van 4 of 5 maart 2026 bij hen terecht kan. Gelet op deze ontwikkeling adviseert de reclassering thans om - in geval van een veroordeling - verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke straf onder oplegging van de bijzondere voorwaarden:

meldplicht bij de reclassering,

meewerken aan ambulante behandeling en begeleiding door een instelling gespecialiseerd in behandeling van mensen met een licht verstandelijke beperking,

verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten [instelling] of een soortgelijke instelling, met ingang van 4 maart 2026 of zoveel later als haar straf dat toelaat,

verbod op het gebruik van verdovende middelen en het meewerken aan controles daarop,

meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding, en

meewerken aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

De rechtbank zal het reclasseringsadvies overnemen, in die zin dat aan het voorwaardelijke deel van de aan verdachte op te leggen vrijheidsbenemende straf de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

De strafoplegging

Nu de voorlopige hechtenis van verdachte al geruime tijd heeft voortgeduurd, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijk strafdeel opleggen dat de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt. Zodoende kan de benodigde zorg (waarvan de opname bij [instelling] in het kader van het met ingang van 6 maart 2026 geschorste bevel voorlopige hechtenis reeds is gestart) snel een aanvang nemen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om (ten nadele van verdachte) van de vordering van de officier van justitie af te wijken.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 322 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden.

De rechtbank acht het, ter voorkoming van het (nog) aanwezige recidivegevaar en gelet op de persoon van de verdachte, noodzakelijk om aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden te verbinden.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Ten aanzien van feit 1 primair

[naam 5] namens fietsenzaak [bedrijf 1] tot een bedrag van 4.263,56 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

[naam 8] namens [bedrijf 4] , tot een bedrag van 4.200,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

3. [ [naam 7] namens [bedrijf 3] tot een bedrag van 9.060,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van feit 2 primair

4. [ [naam 9] namens [bedrijf 6] tot een bedrag van 1.110,32 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [ [naam 10] namens [bedrijf 5] een bedrag van 647,- ter zake van materiële schade en 500,- ter zake van immateriële schade, alsmede 500,- ter zake van proceskosten (gemiste werkuren), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

Ten aanzien van feit 3 primair

6. [ [slachtoffer 3] namens Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] tot een bedrag van 270,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

6. [ [slachtoffer 4] namens Protestantse Gemeente [plaats] tot een bedrag van 94,60 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

8. [ [slachtoffer 5] namens Protestantse Gemeente [plaats] tot een bedrag van 185,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

8. [ [naam 11] namens Protestantse Gemeente [plaats] tot een bedrag van 200,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

8. [ [slachtoffer 8] namens Protestantse Gemeente [plaats] tot een bedrag van 125,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 primair:

1. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [naam 5] namens fietsenzaak [bedrijf 1] wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

2. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [naam 8] namens [bedrijf 4] wordt toegewezen tot een bedrag van 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard;

3. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [naam 7] namens [bedrijf 3] wordt toegewezen tot een bedrag van 4.132,24 (twee fietsen excl. btw), vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Ten aanzien van feit 2 primair:

4. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [naam 9] namens [bedrijf 6] wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

5. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [naam 10] namens [bedrijf 5] wordt toegewezen tot een bedrag van 648,-, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het toe te wijzen bedrag bestaat uit 149,- (verlies van 1 iPad), 249,- (waardevermindering van 2 teruggekochte iPads) en 250,- (vergoeding van werkuren).

Ten aanzien van feit 3 primair:

6. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 4] namens Protestantse Gemeente [plaats] ambtshalve hoofdelijk wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 5] namens Protestantse Gemeente [plaats] hoofdelijk wordt toegewezen tot een bedrag van 185,- vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [naam 11] namens Protestantse Gemeente [plaats] hoofdelijk wordt toegewezen tot een

bedrag van 90,- vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10. de officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 8] namens Protestantse Gemeente [plaats] ambtshalve hoofdelijk wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 primair:

1. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 5] namens fietsenzaak [bedrijf 1] onvoldoende onderbouwd is en niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet duidelijk is of de leenfietsen nieuw waren of gebruikt, of de genoemde prijs per fiets een nieuwprijs is, of de btw is inbegrepen in die prijs en dat het niet duidelijk is wat de waarde is van de derde leenfiets.

2. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 8] namens [bedrijf 4] onvoldoende onderbouwd is en niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat een bedrag van 4.200,- wordt gevorderd ter zake van 4 fietsen terwijl het in de tenlastelegging en aangifte gaat om 3 fietsen. Aangever heeft in de aangifte aangegeven benadeeld te zijn voor ongeveer 2.500,-.

3. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 7] namens [bedrijf 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat geen uittreksel van de Kamer van Koophandel is overgelegd en dat derhalve niet is vast te stellen of [naam 7] bevoegd is om [bedrijf 3] te vertegenwoordigen in deze kwestie. Voorts wordt aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er wordt schade gevorderd ter zake van twee leenfietsen van in totaal

5.700,- en een bedrag van 3.360,- waarvan niet duidelijk is hoe dat bedrag tot stand is gekomen. Ten aanzien van de twee leenfietsen wordt in de aangifte een bedrag van 1.200,- per fiets genoemd. Er is verder geen informatie over inkoopprijzen, afschrijving en ook niet of de bedragen al dan niet inclusief btw zijn.

Ten aanzien van feit 2 primair:

4. de verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [naam 9] namens [bedrijf 6] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 10] namens [bedrijf 5] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het uittreksel van de Kamer van Koophandel dateert van 12 december 2023 en dat dit niets zegt over bevoegdheid ten tijde van indiening van de vordering. Gelet hierop is niet vast te stellen of [naam 10] bevoegd is om [bedrijf 5] te vertegenwoordigen in deze kwestie. Voorts is aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er wordt schade gevorderd ter zake van 3 iPads die blijkens het formulier al teruggegeven zijn. Weliswaar stelt de benadeelde partij dat deze iPads nu minder waard zijn, maar dat wordt niet verder onderbouwd. Daarnaast ligt de gevorderde immateriële schade in deze zaak niet voor de hand en deze schade had goed moeten worden onderbouwd, hetgeen niet het geval is. Ook de proceskosten zijn niet onderbouwd.

Ten aanzien van feit 3 primair:

6. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 3] namens Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat een uittreksel van de Kamer van Koophandel dan wel een volmacht ontbreekt en dat derhalve niet is vast te stellen of [slachtoffer 3] bevoegd was om de vordering in te

dienen.

7. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 4] namens Protestantse Gemeente [plaats] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat een uittreksel van de Kamer van Koophandel dan wel een volmacht ontbreekt en dat derhalve niet is vast te stellen of [slachtoffer 4] bevoegd was om de vordering in te dienen. Uit het bijgevoegde bankafschrift blijkt voorts niet dat de Diaconie schade heeft geleden nu de gegevens van degene die heeft betaald zwart gelakt zijn.

8. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 5] namens Protestantse Gemeente [plaats] niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft het verschil tussen het bedrag van 220,- en het bedrag van 185,-. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de vordering van 220,- onvoldoende is onderbouwd. Er wordt verwezen naar de aangifte waaruit blijkt dat bij elkaar opgeteld 175,- is overgemaakt en dus niet 220,- of 185,- (het bedrag dat in de aangifte als totaalbedrag wordt genoemd), hoewel in het nagezonden bankafschrift wel de optelsom tot 185,00 kan worden gemaakt.

9. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 11] namens Protestantse Gemeente [plaats] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat niet duidelijk is of [naam 11] bevoegd was om de vordering in te dienen nu de aangifte is gedaan door een ander, te weten [slachtoffer 7] . Voorts is niet duidelijk of deze benadeelde partij in feit 3 staat opgenomen, omdat het daar gaat over de diaconie van [plaats] en een bedrag van

90,- wordt genoemd, net als in de aangifte. De vordering betreft 200,- bestaande uit twee betalingen aan Primera. De namen op de vordering en de bijlagen zijn niet te koppelen aan de aangifte.

10. de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 8] namens Protestantse Gemeente [plaats] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat een uittreksel van de Kamer van Koophandel dan wel een volmacht ontbreekt en dat derhalve niet is vast te stellen of [slachtoffer 8] bevoegd was om de vordering in te dienen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair

1. de vordering van de benadeelde partij [naam 5] namens fietsenzaak [bedrijf 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Zo komt het gevorderde schadebedrag van 4.263,56 niet overeen met de aanschafkosten van de in de bijlage bij de vordering vermelde fietsen ( 5.347,-), is niet duidelijk of btw is meegerekend en of er rekening is gehouden met afschrijvingskosten. De rechtbank zal derhalve gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de hoogte van de schade schatten op 3.200,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 november 2024 (datum aangifte). De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat voor zover het betreft het toe te wijzen bedrag van 3.200,- aan geleden materiële schade, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte deze schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. de vordering van de benadeelde partij [naam 8] namens [bedrijf 4]

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Er zijn weliswaar schadebedragen gevorderd, maar deze zijn op geen enkele wijze onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

3. de vordering van de benadeelde partij [naam 7] namens [bedrijf 3]

De rechtbank stelt vast dat geen uittreksel van de Kamer van Koophandel of een volmacht is overgelegd en dat derhalve niet is vast te stellen of [naam 7] bevoegd is om de vordering in te dienen. De rechtbank overweegt voorts dat, hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde, de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van die schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van feit 2 primair:

4. de vordering van de benadeelde partij [naam 9] namens [bedrijf 6]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van 1.110,32 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 (datum aangifte).

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

5. de vordering van de benadeelde partij [naam 10] namens [bedrijf 5]

De rechtbank overweegt dat uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 december 2023 blijkt dat [naam 10] bevoegd is om de vordering in te dienen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de situatie nadien is gewijzigd. Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering bevoegd is ingediend.

Ten aanzien van de gestelde materiële schade ( 647,- en 500,- proceskosten)

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 primair bewezen verklaarde. Uit het strafdossier blijkt dat [naam 10] 150,- heeft betaald aan KS Telecom te Emmen om de iPads terug te kopen. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 (datum aangifte).

Met betrekking tot de overige gestelde schade aan de iPads en de gestelde schade door proceskosten (niet gewerkte uren) overweegt de rechtbank dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade ( 500,-)

De benadeelde partij heeft (daarnaast) vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Het door de benadeelde partij aangevoerde verlies van vertrouwen in de medemens vormt nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd en ligt naar het oordeel van de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het feit niet in de rede. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat voor zover het betreft het toe te wijzen bedrag van 150,-aan geleden materiële schade, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte deze schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van feit 3 primair:

6. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Vincentius Vereniging Gemeente [plaats]

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 3] als voorzitter van de Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] aangifte heeft gedaan van de oplichting. Hiermee staat in voldoende mate vast dat [slachtoffer 3] bevoegd was om de vordering tot schadevergoeding in te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van 270,- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte overigens niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 november 2024 (datum feit).

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde

partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] namens Protestantse Gemeente [plaats]

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 4] namens Protestantse Gemeente [plaats] aangifte heeft gedaan van de oplichting. Hiermee staat in voldoende mate vast dat [slachtoffer 4] bevoegd was om de vordering tot schadevergoeding in te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van 94,60 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte overigens niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 november 2024 (datum feit).

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] namens Protestantse Gemeente [plaats]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van 185,- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 november 2024 (datum aangifte).

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien en voor zover haar medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9. de vordering van de benadeelde partij [naam 11] namens Protestantse Gemeente [plaats]

De rechtbank overweegt dat uit het bij de vordering overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam 11] bevoegd is om de vordering in te dienen.

Ten aanzien van de hoogte van de geleden materiële schade overweegt de rechtbank dat uit de aangifte blijkt dat sprake is van een bedrag van 90,- terwijl in de vordering een bedrag van 200,- wordt genoemd die niet wordt onderbouwd. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 primair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de gestelde hoogte van 200,- te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van deze schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering van 200,- daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat voor zover het betreft het in de aangifte genoemde bedrag van 90,-, zal de rechtbank wel de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte deze schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2024 (datum feit), zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

10. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] namens Protestantse Gemeente [plaats]

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 8] namens Protestantse Gemeente [plaats] aangifte heeft gedaan van de oplichting. Hiermee staat in voldoende mate vast dat [slachtoffer 8] bevoegd was om de vordering tot schadevergoeding in te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van 125,- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte overigens niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 2024 (datum feit).

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 47, 57, 326, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 322 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde meewerkt aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder meer in dat veroordeelde zich na uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland op door hen aangegeven tijdstippen en locaties. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak, zolang en waar de reclassering dat nodig vindt. Dit kan ook huisbezoeken inhouden. Veroordeelde volgt de aanwijzingen op die haar door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waaraan veroordeelde dient mee te werken.

2. dat de veroordeelde meewerkt aan ambulante behandeling en begeleiding door een instelling gespecialiseerd in behandeling van mensen met een licht verstandelijke beperking, te bepalen door de

reclassering. De behandeling/begeleiding zal na aanmelding starten. De behandeling/begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling/begeleiding. De behandeling/begeleiding is gericht op zowel praktische zaken, middelengebruik als haar psychische problematiek.

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start op 6 maart 2026. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

4. dat de veroordeelde wordt verboden gedurende de proeftijd verdovende middelen te gebruiken genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn een urineonderzoek, een ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

5. dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

6. dat de veroordeelde zo nodig meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering en [instelling] inzicht in haar financiën en schulden.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 10 maart 2026.

Vorderingen benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 5] namens fietsenzaak [bedrijf 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:

het bedrag van 3.200,- (zegge: tweeëndertighonderd euro);

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;

- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van [naam 5] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.200,- (zegge: tweeëndertighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 32 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

2. Verklaart de vordering van [naam 8] namens [bedrijf 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij de eigen proceskosten draagt.

3. Verklaart de vordering van [naam 7] namens [bedrijf 3] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij de eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van feit 2 primair

4. Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 9] namens [bedrijf 6] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:

5. het bedrag van 1.110,32 (zegge: elfhonderd tien euro en tweeëndertig eurocent);

6. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;

7. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 9] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.110,32 (zegge: elfhonderd tien euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

5. Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 10] namens [bedrijf 5] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:

6. het bedrag van 150,- (zegge: honderdvijftig euro);

7. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;

8. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering tot vergoeding van materiele schade van [naam 10] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van [naam 10] af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 10] aan de Staat te betalen een bedrag van 150,- (zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van feit 3 primair

6. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Vincentius Vereniging Gemeente [plaats] toe en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:

7. het bedrag van 270,- (zegge: tweehonderd zeventig euro);

8. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;

9. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 270,- (zegge: tweehonderd zeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

7. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] namens Protestantse Gemeente [plaats] toe en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:

8. het bedrag van 94,60 (zegge: vierennegentig euro en zestig cent);

9. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;

10. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 94,60 (zegge: vierennegentig euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

8. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] namens Protestantse Gemeente [plaats] toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

9. het bedrag van 185,- (zegge: honderdvijfentachtig euro);

10. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;

11. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 185,-(zegge: honderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

9. Verklaart de vordering van de benadeelde partij [naam 11] namens Protestantse Gemeente [plaats] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij de eigen proceskosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 11] aan de Staat te betalen een bedrag van 90,- (zegge: negentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

10. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] namens Protestantse Gemeente [plaats] toe en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:

10. het bedrag van 125,- (zegge: honderdvijfentwintig euro);

10. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;

10. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 125,- (zegge: honderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. A. Nieuwenhuis en mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.