Materieel strafrecht

Vrijspraak computervredebreuk, veroordeling oplichting, diefstal en gewoontewitwassen. gevangenisstraf 24…

Rechtbank Amsterdam, 15 september 2026

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
13/072916-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9255
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak computervredebreuk, veroordeling oplichting, diefstal en gewoontewitwassen. gevangenisstraf 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Proeftijd drie jaar. Pinner via google pay

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/072916-26

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[detentieadres] ,

thans gedetineerd te: [detentieadres]

hierna: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Ros, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 19 december 2025 tot en met 25 maart 2026 te [plaats 1] en/of [plaats 1] en/of [plaats 3] heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van:

1.

oplichting;

2.

computervredebreuk;

3.

diefstal door middel van valse sleutel; en

4.

gewoontewitwassen.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de vier ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 nu verdachte niet als (mede)pleger van de oplichtingshandelingen kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet is gebleken dat is binnengedrongen in enig geautomatiseerd werk en niet is gebleken dat verdachte een beveiliging heeft doorbroken of door een technische ingreep of door middel van een valse sleutel gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen (inlog)gegevens van de bankrekening van de aangevers.

Ten aanzien van feiten 3 en 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak computervredebreuk

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde computervredebreuk en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier is gebleken dat verschillende bankpassen van slachtoffers aan de Google Pay applicatie van de door verdachte gebruikte telefoon(s) zijn gekoppeld. Hierdoor kon verdachte met zijn telefoon betalingen verrichten ten laste van de betaalrekeningen van de slachtoffers. Voor een bewezenverklaring van computervredebreuk is vereist dat iemand opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. De officier van justitie heeft in repliek gesteld dat door verdachte in het geautomatiseerde werk van de banken is binnengedrongen door die bankpassen toe te voegen aan de Google Pay applicatie op de door hem gebruikte telefoon(s). Die stelling vindt echter geen steun in het dossier. Voor een bewezenverklaring is vereist dat kan worden vastgesteld dat door het koppelen van de betaalkaart aan Google Pay, systemen of applicaties op een of meerdere servers van de bank zijn benaderd. Uit het dossier volgt echter slechts dat de bank een ‘Payment Device ID’ opslaat. Niet blijkt dat het koppelen van Google Pay aan een betaalkaart, of het gebruik van die betaalkaart met Google Pay, een directe verbinding met de servers van de bank tot stand brengt. Daarom kan niet worden vastgesteld dat door het koppelen van Google Pay aan de betaalkaarten op enige wijze in een geautomatiseerd werk van de bank is binnengedrongen. De rechtbank komt daarom niet tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

3.3.2.

Medeplegen

Aan verdachte is onder 1 het medeplegen van oplichting tenlastegelegd. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte de oplichtingshandelingen zoals in de tenlastelegging zijn opgenomen, zelf heeft verricht. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte als medepleger van de oplichtingen kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij kan de aard van de uitgevoerde handelingen van belang zijn. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

De rechtbank stelt vast dat in de ten laste gelegde periode meerdere soortgelijke oplichtingen hebben plaatsgevonden met gebruik van de zogenaamde “bankhelpdeskfraude”. Het doel van dit soort oplichtingen is het verkrijgen van zo veel mogelijk geld. Bij bankhelpdeskfraude werken de daders met elkaar samen en hanteren steeds een min of meer vaste werkwijze. De samenwerking bestaat in de regel uit drie fases: de voorbereidende fase, de uitvoerende fase en de afschermende fase. In de voorbereidende fase worden de benodigde gegevens en/of voorwerpen verzameld. In de uitvoerende fase vinden de oplichtingshandelingen plaats, zoals het bellen van slachtoffers en het zich voordoen als bijvoorbeeld een bankmedewerker. In deze fase worden ook de benodigde gegevens en/of betaalpassen door de oplichter verzameld en wordt de buit binnengehaald, bijvoorbeeld door transacties te verrichten. In de afschermende fase worden handelingen verricht die moeten voorkomen dat de daders traceerbaar zijn.

Uit het dossier blijkt dat de onderhavige oplichtingen ook uit deze drie fases hebben bestaan. Verdachte heeft hier een grote rol in gespeeld, zoals hij ter zitting zelf ook heeft verklaard. In de voorbereidende fase heeft verdachte meermaals telefoons gekocht en die aan een mededader gegeven. Vervolgens werden op die telefoons door anderen in Google Pay de bankpassen van slachtoffers gekoppeld met de gegevens die in de uitvoerende fase van de slachtoffers afhandig waren gemaakt. Zodra dat was gebeurd, stond verdachte meermaals klaar om de telefoons weer in ontvangst te nemen en daarmee zo snel mogelijk transacties te verrichten. Tijdens het betalen stond verdachte steeds met een ander in contact. Verdacht heeft vervolgens de buit verzekerd en geprobeerd te voorkomen dat zijn handelingen aan hem en/of de mededader(s) gelinkt zouden worden. Dat heeft hij gedaan door VVV-bonnen aan te schaffen en vervolgens uit te geven of via [naam website] te laten uitbetalen, bijvoorbeeld via de rekening van zijn vriendin en stiefzoon. Daarnaast heeft hij de telefoons snel weggedaan, onder meer door deze te verkopen via de winkel [naam winkel] . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet zelf met de slachtoffers heeft gesproken, maar wel wist wat er aan de hand was.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een dusdanig georganiseerd verband waarbij verdachte in alle fases een grote rol had. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader(s) die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Ook heeft verdachte bekend de onder 3 ten laste gelegde diefstallen met valse sleutel te hebben gepleegd door met de via Google Pay gekoppelde bankpassen van de slachtoffers te pinnen. De rechtbank komt daarom, en gelet op al het voorgaande, tot een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van diefstal met valse sleutel.

Voorgaande bewezenverklaringen gelden alleen niet ten aanzien van het slachtoffer [persoon 1] , zoals de rechtbank verderop zal toelichten.

Tot slot heeft verdachte bekend dat hij het gestolen geld heeft witgewassen door waardebonnen te kopen en die, op rekeningen van zijn vriendin en stiefzoon, te laten uitbetalen via [naam website] . Daarmee heeft hij ervoor gezorgd dat de link naar de oplichting werd verhuld. Verdachte heeft daar naar het oordeel van de rechtbank bovendien een gewoonte van gemaakt, gelet op het aantal transacties in de ten laste gelegde periode. De rechtbank komt daarom, en gelet op al het voorgaande, ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen, zoals tenlastegelegd onder 4.

Vrijspraak [persoon 1]

Ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde oplichting en diefstal van [persoon 1] zal verdachte partieel worden vrijgesproken. Van de telefoon met Google Pay waaraan de betaalrekening van [persoon 1] door middel van de oplichting op 19 januari 2026 is gekoppeld, kan immers slechts worden vastgesteld dat verdachte die telefoon op 21 en 23 januari 2026 in zijn bezit had. De betrokkenheid van verdachte bij deze oplichting en diefstal blijkt niet anderszins uit het dossier.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1

in de periode van 19 december 2025 tot en met 25 maart 2026 te [plaats 1], [plaats 2] en [plaats 3] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander, wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[persoon 2] en

[persoon 3] en

[persoon 4] en

[persoon 5] en

[persoon 6] en

[persoon 7] en

[persoon 8] en

[persoon 9] en

[persoon 10] en

[persoon 11] en

[persoon 12] en

[persoon 13] en

[persoon 14] en

[persoon15] en

[persoon 16] ,

heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het afgeven van (inlog)gegevens gekoppeld aan hun bankrekening, door

- een vals sms-bericht te sturen met daarin dat er een nieuwe betaalpas is aangevraagd en/of een toestel is geregistreerd en met het verzoek om direct contact op te nemen met een vermeld telefoonnummer en

- nadat het slachtoffer contact heeft opgenomen zich voor te doen als medewerker van de (fraude afdeling van de) ABN Amro bank of Rabobank en

- ( daarbij) gebruik makend van verdachtes of medeverdachtes valse hoedanigheid de aangevers voorhouden dat er actie nodig is en

- de aangevers te instrueren om gegevens te verstrekken gekoppeld aan de bankrekening en de binnengekomen code via sms, waarmee de bankrekening van het slachtoffer gekoppeld kan worden aan de Google Pay account van de verdachte of medeverdachten;

en

[persoon 17] heeft bewogen tot de afgifte van het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het afgeven van (inlog)gegevens gekoppeld aan haar bankrekening, door

- contact op te nemen met die [persoon 17] , waarbij gebruikmakend van verdachtes of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de fraudedesk van de ABN Amro bank en in dit gesprek voor te houden dat er gepoogd was te betalen met de bankpas van die [persoon 17] en dat hij, verdachte of zijn medeverdachte(s), haar zou helpen het probleem te verhelpen en

- die [persoon 17] te instrueren gegevens te verstrekken gekoppeld aan de bankrekening en de binnengekomen code via sms te verstrekken, waarmee de bankrekening van het slachtoffer gekoppeld kan worden aan de Google Pay account van de verdachte of medeverdachten;

3

in de periode van 19 december 2025 tot en met 25 maart 2026 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] en [plaats 6] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen een (groot) geldbedrag, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan

[persoon 2] en

[persoon 3] en

[persoon 4] en

[persoon 5] en

[persoon 6] en

[persoon 7] en

[persoon 8] en

[persoon 9] en

[persoon 10] en

[persoon 11] en

[persoon 12] en

[persoon 13] en

[persoon 14] en

[persoon15] en

[persoon 16] en

[persoon 17] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen gebruik te maken van de bankrekeningen van die aangevers die gekoppeld waren via Google Pay aan de telefoon van de verdachte of medeverdachten, en hierbij meermalen pintransacties heeft verricht bij meerdere winkels, terwijl hiervoor geen

toestemming was gegeven;

4

in de periode van 19 december 2025 tot en met 25 maart 2026 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 4] en [plaats 6] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, van een geldbedrag van 39.133,- euro, althans een (groot) geldbedrag, althans van een of meer voorwerpen

- de herkomst en de vindplaats heeft verhuld, en

- heeft verworven, voorhanden gehad, heeft omgezet, en

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij en zijn mededaders, en hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend zou zijn. Daarnaast zou eventueel een maximale taakstraf van 240 uur kunnen worden opgelegd.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen langere onvoorwaardelijk gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd dan een gevangenisstraf van achttien maanden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Aard en ernst feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie maanden veelvuldig schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting, diefstal en gewoontewitwassen. Verdachte heeft telefoons geregeld die konden worden gebruikt om deze feiten te plegen en heeft zelf ook meermaals bedragen gepind met de (daaraan via Google Pay gekoppelde) bankpassen van de slachtoffers. Dit waren bankpassen van mensen die in de veronderstelling waren dat zij door een bankmedewerker geholpen werden om te voorkomen dat met hun betaalgegevens gefraudeerd zou worden, terwijl dat in werkelijkheid precies hetgene was wat de oplichters op dat moment aan het doen waren. Hoewel verdachte niet degene is geweest die de slachtoffers heeft gebeld, heeft hij met voornoemde handelingen wel een grote rol gespeeld bij deze oplichtingen.

Bankhelpdeskfraude is een vorm van oplichting waarbij wordt ingespeeld op de (angst)gevoelens van slachtoffers. Door het vertrouwen van de slachtoffers te winnen en zich voor te doen als een bonafide partij hebben verdachte en zijn mededaders misbruik gemaakt van de onzekerheid en het vertrouwen van de slachtoffers. Dit is een bijzonder ingrijpende gebeurtenis die vaak voor veel schaamte en wantrouwen zorgt bij de slachtoffers. Nadat de slachtoffers zijn opgelicht, heeft verdachte ook geld gepind en geld van de slachtoffers witgewassen. Dat verdachte met zijn handelen slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin neemt de rechtbank hem kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf.

Strafverzwarend en strafverminderend

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat verdachte alle feiten in vereniging heeft gepleegd. De gepleegde feiten hebben een georganiseerd karakter en verdachte en de mededaders hebben in een korte periode een groot aantal slachtoffers gemaakt.

In het voordeel van verdachte betrekt de rechtbank zijn proceshouding. Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de strafbare feiten bekend, heeft inzicht gegeven in zijn handelen en is op de rechtbank oprecht en schuldbewust overgekomen. Deze proceshouding van verdachte is voor de rechtbank ook aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen zodat via bijzondere voorwaarden de reclassering verdachte kan begeleiden in zijn streven om een leven zonder criminaliteit te leiden.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, en het gegeven dat zij verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden. Gelet op het gegeven dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, zal de rechtbank daarbij een proeftijd van drie jaar aan verdachte opleggen.

8 Beslag

Onder verdachte is een iPhone met goednummer PL1300-2026028382-6815881 in beslag genomen. Hoewel op deze telefoons chatgesprekken zijn aangetroffen die verband houden met de gepleegde strafbare feiten, ziet de rechtbank dat deze gesprekken op sociale media hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat die contacten voor verdachte te benaderen zijn op elke andere telefoon waar hij op zijn sociale media zou inloggen. Deze contacten zijn niet slechts verbonden aan deze specifieke telefoon. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de telefoon verbeurd te verklaren en zal beslissen dat de telefoon wordt geretourneerd aan de rechthebbende, namelijk verdachte.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

[persoon 14] , [persoon 13] , [persoon 11] , [persoon 12] , [persoon15] , [persoon 16]

De benadeelde partij [persoon 14] vordert € 4.700,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [persoon 13] vordert € 750,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [persoon 11] vordert € 1.294,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [persoon 12] vordert € 900,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [persoon15] vordert € 4.900,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [persoon 16] vordert € 3.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vorderingen toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2.

Stanpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat aan de benadeelde partijen door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vorderingen zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. De gevorderde schadevergoedingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit ten aanzien van die benadeelde partij is gepleegd.

Proceskosten

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [persoon 14] , [persoon 13] , [persoon 11] , [persoon 12] , [persoon15] en [persoon 16] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.2.

ABN AMRO Bank N.V.

De benadeelde partij, hierna: ABN AMRO, vordert € 15.889,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede € 960,- aan proceskosten.

9.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de hoogte van de schade niet betwist. De hoogte en toerekenbaarheid van de proceskosten heeft hij betwist, nu de kosten ter vaststelling van de omvang van de schade zijn gemaakt door werknemers van ABN AMRO. Tot slot heeft hij verzocht om ten behoeve van ABN AMRO geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu het een professionele financiële instelling betreft.

9.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

ABN AMRO heeft de door [persoon 17] , [persoon 5] , [persoon 18] , [persoon 19] en/of [persoon 7] , [persoon 20] , [persoon 21] , [persoon 10] en [persoon 22] en/of [persoon 23] geleden schade vergoed. De vordering tot vergoeding van deze schadeloosstelling door de bank, is niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat tussen de bewezen verklaarde feiten en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de bank door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 15.889,- aan materiële schadevergoeding toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde proceskosten zien op het vaststellen van de omvang van de geleden schade. ABN AMRO heeft gesteld en onderbouwd, hetgeen niet is betwist, dat deze kosten onder meer zijn gemaakt in verband met het contact met de benadeelde klanten en het onderzoek naar de modus operandi en betrokkenen. Deze kosten gelden daarom niet als proceskosten, maar wel als kosten die zonder het bewezenverklaarde niet zouden zijn gemaakt en gezien de aard van de schade en aansprakelijkheid aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het gaat daarbij om kosten die geen betrekking hebben op het opstellen en indienen van de vordering tot schadevergoeding, maar in redelijkheid zijn gemaakt door deskundigen van ABN AMRO om de aard en omvang van de schade te kunnen vaststellen. De rechtbank zal daarom ook het gevorderde bedrag van € 960,- toewijzen. De materiële schadevergoeding wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van deze schade. Dat betreft voor een bedrag van € 15.889,- vanaf 22 januari 2026 en over een resterend bedrag van € 960,- vanaf het moment dat deze kosten zijn gemaakt op 31 maart 2026.

Proceskosten

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van art. 36f lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan de rechter een schadevergoedingsmaatregel opleggen aan de verdachte ten behoeve van het slachtoffer, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het slachtoffer kan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zijn (art. 51a lid 1 sub a onder 1 Sv). Art. 36f Sr maakt geen onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen als begunstigden van de maatregel.

De rechtbank ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken nu de bank rechtstreeks schade heeft geleden waarvoor verdachte hoofdelijk aansprakelijk is. ABN AMRO is middellijk benadeeld via coulancebetalingen aan zijn klanten, die ook zelfstandig een vordering hadden kunnen indienen en ten gunste waarvan in dat geval eveneens een schadevergoedingsmaatregel zou zijn opgelegd. In het belang van ABN AMRO wordt dan ook, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Hoofdelijkheid

Omdat verdachte het bewezenverklaarde tezamen en vereniging met één of meer personen heeft gepleegd, is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade.

9.3.

[persoon 10]

De benadeelde partij [persoon 10] vordert € 45,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gevorderde bedrag ziet op de kosten van een taxirit naar het politiebureau voor het doen van aangifte, maar is tegenover de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te ondernemen levert immers een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijke rechter.

9.4.

[persoon 4]

De benadeelde partij [persoon 4] vordert € 250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij stelt na het bewezen verklaarde feit achterdochtig te zijn geworden en het vertrouwen in de medemens te zijn verloren. Dit heeft impact op zijn levensvreugde en zelfstandigheid. Daarnaast geeft hij aan slecht te slapen door het incident. Hiermee heeft de benadeelde een beroep gedaan op vergoeding van zijn psychische schade.

De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.?

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van psychische schade moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Enkel psychisch onbehagen is geen psychische schade als bedoeld in de wet. De benadeelde partij heeft geen stukken (van bijvoorbeeld een psycholoog) bijgevoegd ter onderbouwing van de door hem gestelde immateriële schade. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te ondernemen levert immers een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijke rechter.

9.5.

[persoon 17]

De benadeelde partij [persoon 17] vordert € 300,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade. De benadeelde heeft aangegeven dat het feit gepleegd is tijdens haar vakantie, waardoor zij niets meer in haar vakantie heeft kunnen doen en niet meer heeft genoten. Daarnaast heeft zij na het feit nog een half jaar problemen gehad. Zoals de rechtbank onder 9.4 heeft toegelicht, is enkel psychisch onbehagen geen psychische schade als bedoeld in de wet. Er zijn geen stukken ter onderbouwing van het gestelde letsel overgelegd. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te ondernemen levert immers een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijke rechter.

9.6.

[persoon 9]

De benadeelde partij [persoon 9] vordert € 1.556,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering wordt door de verdediging in zijn geheel betwist nu uit de vordering tot schadevergoeding van ABN AMRO (zie 9.2) blijkt dat zij het schadebedrag van € 1.556,- al aan [persoon 9] heeft vergoed. De benadeelde partij heeft daarom geen belang (meer) bij toewijzing van de vordering. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade om die reden wordt afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a 14b, 14c, 36f, 47, 57, 311, 326 en 420ter van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde gedurende de proeftijd zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beslag

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de iPhone met goednummer PL1300-2026028382-6815881.

Vordering benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. toe tot een bedrag van € 16.849,- (zestienduizend achthonderdnegenenveertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.889,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening en over een resterend bedrag van € 960,- vanaf het moment dat deze kosten zijn gemaakt (31 maart 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan ABN AMRO Bank N.V. voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V. aan de Staat € 16.849,- (zestienduizend achthonderdnegenenveertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.889,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening en over een resterend bedrag van € 960,- vanaf het moment dat deze kosten zijn gemaakt (31 maart 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat zij het van belang vindt om ook bij een rechtspersoon als een bank de schadevergoedingsmaatregel toe te passen zodat banken al dan niet uit coulance klanten schadeloos (blijven) stellen, maar de rechtbank ziet wel aanleiding om het aantal dagen gijzeling in dat geval te maximeren. Bij gebreke van betaling en verhaal kan daarom gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 14]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.700,- (vierduizend zevenhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 maart 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 14] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [persoon 14] , aan de Staat € 4.700 (vierduizend zevenhonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 47 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 10]

Verklaart niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten draagt.

Vordering benadeelde partij [persoon 13]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 maart 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 13] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [persoon 13] , aan de Staat € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 11]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.294,- (twaalfhonderdvierennegentig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 11] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [persoon 11] , aan de Staat € 1.294,- (twaalfhonderdvierennegentig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 12]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 900,- (negenhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 12] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [persoon 12] , aan de Staat € 900,- (negenhonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon15]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.900,- (negenenveertighonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 maart 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon15] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [persoon15] , aan de Staat € 4.900,- (negenenveertighonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 49 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 4]

Verklaart niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen.

Vordering benadeelde partij [persoon 16]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 maart 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 16] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [persoon 16] , aan de Staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 17]

Verklaart niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen.

Vordering benadeelde partij [persoon 9]

Wijst de vordering van af.

Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. van de Water, voorzitter,

mrs. M.C. Danel en L.A.L. Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

[...]

[...]

[...]

[...]

  1. [...]

  2. [...]

  3. [...]

  4. [...]

  5. [...]

  6. [...]

  7. [...]

  8. [...]

  9. [...]

  10. [...]

  11. [...]

  12. [...]

  13. [...]

  14. [...]

  15. [...]

  16. [...]

  17. [...]

  18. [...]

  19. [...]