Strafrecht overig
Beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 deels gegrond.
ECLI:NL:RBAMS:2026:8038 · Rechtbank Amsterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/beschikking/ecli-nl-rbams-2026-8038
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 017422-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8038
Samenvatting
Beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 deels gegrond.
Uitspraak
Inhoudsopgave
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 017422-26
[parketnummer] : 96-169631-26
datum : 2 juli 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: klager.
Feiten
Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 6 juni 2026.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, te weten 705 microgram.
Op 6 juni 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van de klager ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van vier maanden, te weten van 6 juni 2026 tot en met 4 oktober 2026.
Procedure
Het klaagschrift is op 18 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 2 juni 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, zijn advocaat mr. C.F.C. van Lookeren Campagne, en de officier van justitie, mr. I.T. Hoekstra, op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Door en namens klager is aangevoerd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als schilder. Het openbaar vervoer is geen goed alternatief gelet op de te vervoeren materialen en de verschillende werklocaties. Daarnaast heeft klager zijn rijbewijs nodig voor de zorg voor zijn moeder en oma.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen de teruggave van het rijbewijs. De officier van justitie heeft aangevoerd dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest. De officier van justitie heeft ook aangevoerd dat verdere inhouding het algemeen belang en de verkeersveiligheid dient en dat het persoonlijk belang van klager daartegen niet opweegt.
Beoordeling
De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
Uit het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van klager blijkt dat meerdere keren is veroordeeld voor het rijden onder invloed op een brommer.
Op grond van hetgeen in het klaagschrift en bij het onderzoek in raadkamer naar voren is gebracht omtrent de belangen van de klager bij het kunnen beschikken over het rijbewijs, wordt geoordeeld dat het persoonlijk belang op dit moment niet zo groot is dat dit zwaarder moet wegen dan het belang van voortduring van de inhouding. Dat is wel het geval met ingang van de dag waarop het rijbewijs drie maanden ingevorderd en ingehouden is geweest, te weten 6 september 2026. De rechtbank zal dan ook de teruggave van het rijbewijs gelasten met ingang van die dag.
De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs met ingang van 6 september 2026 aan de klager moet worden teruggegeven.
Dit laat overigens onverlet dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere periode dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 6 september 2026 en gelast de teruggave van het rijbewijs met ingang van 6 september 2026.
Deze beslissing is gegeven door
mr. B.C. Langendoen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.