Strafrecht overig
Beklag ex art. 552a Sv. Beslag op grond van art. 94 Sv reeds beëindigd: ongegrond
ECLI:NL:RBAMS:2023:4924 · Rechtbank Amsterdam · 1 augustus 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2023-4924
Zaakgegevens
Op 1 augustus 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2023
- Datum publicatie
- 1 augustus 2023
- Zaaknummer
- 23-003849
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:4924
Samenvatting
Beklag ex art. 552a Sv. Beslag op grond van art. 94 Sv reeds beëindigd: ongegrond
Uitspraak
Inhoudsopgave
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-123817-21
raadkamernummer : 23-003849
datum : 1 augustus 2023
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van mr. A.A. Kan, advocaat te Amsterdam ( [adres] ),
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 24 september 2019 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen de enig aandeelhouder en de bestuurders van klager beslag is gelegd op het saldo van een ING rekening ten name van de klager ten bedrage van € 19.270,38.
Procedure
Het klaagschrift is op 9 februari 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 14 juli 2023 is een aanvulling op het klaagschrift ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 18 juli 2023 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. A.A. Kan, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot opheffing van het strafvorderlijk beslag ex artikel 94 Sv op het saldo van de ING bankrekening ten name van klager met [rekeningnummer] .
Namens klager is aangevoerd dat volgens het Openbaar Ministerie klager geen verdachte is (geweest) en dat er ook geen opsporingsonderzoek naar haar activiteiten wordt verricht. Die omstandigheid heeft volgens klager tot gevolg dat er niet langer sprake kan zijn van een strafvorderlijk belang van waarheidsvinding dat zich tegen opheffing van het beslag verzet, althans dat de persoonlijke belangen van klager dienen te prevaleren.
Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat het saldo op de bankrekening van [klager] niet vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat klager niet als verdachte is aangemerkt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om klager niet-ontvankelijk te verklaren. Inmiddels is op 28 maart 2023 door het Openbaar Ministerie met machtiging van de rechter-commissaris op grond van artikel 94a, lid 4, Sv anderbeslag bij [klager] gelegd. De vordering en machtiging zijn gebaseerd op omzetting van klassiek naar conservatoir beslag (handhaven). Er rust dus geen klassiek beslag meer op de betreffende bankrekening van klager.
Beoordeling
De rechtbank is mede gelet op artikel 552a lid 3 Sv bevoegd.
De rechtbank stelt vast dat het beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv reeds is geëindigd, omdat op 28 maart 2023 het klassiek beslag op grond van genoemd artikel is omgezet in conservatoir beslag op grond van artikel 94a lid 4 Sv. Er is thans sprake van beslag onder een derde, niet zijnde degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht. De rechtbank zal klager daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag tegen het beslag op grond van artikel 94 Sv.
Beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,
mr. K. Duker en mr. E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2023.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.