Belastingrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Den Haag, 28 november 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:14096 · Rechtbank Den Haag · 28 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2018-14096
Zaakgegevens
Op 28 november 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 november 2018
- Datum publicatie
- 28 november 2018
- Zaaknummer
- AWB - 18 _ 4631
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:14096
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
beroep ongegrond
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 18/4631
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
28 november 2018 in de zaak tussen
[eiseres], wonende te [plaats], eiseres
(gemachtigde: J.L.M. Reijnen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 12 april 2018 op het bezwaar van eiseres tegen de opgelegde voorlopige aanslag erfbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C.B.A.M. Mathijssen en mr. L.R. Lard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Op [datum] 2014 is mevrouw [X] (erflaatster), overleden. Eiseres is een van de erfgenamen van erflaatster. Aan haar is op 7 juni 2016 een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd naar een bedrag van € 13.297. Voorts is bij beschikking
€ 806 belastingrente in rekening gebracht.
2.
In geschil is uitsluitend de in rekening gebrachte belastingrente
3. Eiseres heeft niet betwist dat verweerder de belastingrente heeft berekend met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de daaruit voortvloeiende rentepercentages. Ook anderszins is niet gebleken dat de belastingrente op een verkeerd bedrag is vastgesteld.
4. Zoals reeds eerder is geoordeeld door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2015:11116) en het hof (ECLI:NL:GHDHA:2016:2106), gevolgd door een 81 RO arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:684), staat het verweerder en de rechter niet vrij om van de wettelijke regeling af te wijken en in plaats daarvan een ander percentage toe te passen dat meer zou aansluiten op de rente voor staatsobligaties. De stelling van eiseres dat de in rekening gebrachte rente onredelijk hoog is en er in de politiek en in de media discussie over is, kan hem niet baten. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van wettelijke bepalingen als zodanig te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat dit in onderhavige zaak het geval is.
5. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
28 november 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.