Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10287 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-10287
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/540
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10287
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
kostenvergoeding bezwaar
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/540
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr.drs. A.C.M. Brom),
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreffende het bezwaar van belanghebbende tegen aan hem in rekening gebrachte kosten van twee dwangbevelen. Belanghebbende is het niet eens met de hoogte van de toegekende kostenvergoeding. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de kostenvergoeding.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan aan hem bij de uitspraak op bezwaar is toegekend. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 januari 2026 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en een kostenvergoeding van € 166,50 toegekend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de ontvanger, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
Feiten
3. Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Gelijktijdig met de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd.
Met dagtekening 10 januari 2025 heeft de ontvanger aan belanghebbende een dwangbevel opgelegd wegens het te laat betalen van de aanslag IB/PVV 2020 en een dwangbevel wegens het te laat betalen van de aanslag Zvw 2020. De kosten van de dwangbevelen bedragen respectievelijk € 228 en € 143.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 10 januari 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen de opgelegde aanslagen, de verzuimboete en de vervolgingskosten.
Bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2025 heeft de inspecteur de aanslagen verminderd overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte en de verzuimboete verminderd naar nihil.
Op 26 november 2025 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden met de gemachtigde naar aanleiding van het bezwaar van 10 januari 2025 tegen de kosten van de dwangbevelen.
Bij de uitspraak op bezwaar van 22 januari 2026 heeft de ontvanger de vervolgingskosten verlaagd naar € 0 en een kostenvergoeding van € 166,50 toegekend. Daarbij heeft de ontvanger met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht een kostenvergoeding voor rechtsbijstand toegekend voor één proceshandeling (het indienen van het bezwaarschrift) met een waarde van € 666 en wegingsfactor 0,25 (zeer licht).
Beoordeling door de rechtbank
4. In geschil is uitsluitend de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, meer in bijzonder de te hanteren wegingsfactor voor het gewicht van de zaak. Partijen zijn het erover eens dat 1 punt voor het bijwonen van het hoorgesprek moet worden toegekend en de kostenvergoeding reeds om die reden moet worden verhoogd.
Belanghebbende stelt dat bij de berekening van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase ten onrechte is uitgegaan van een wegingsfactor ‘zeer licht’ (0,25) voor de zwaarte van de zaak. Volgens belanghebbende had moeten worden uitgegaan van een wegingsfactor ‘gemiddeld’ (1,0). Ter zitting en in de stukken heeft de gemachtigde van belanghebbende toegelicht dat de verzuimboete was vernietigd omdat de uitnodiging tot het doen van aangifte naar het verkeerde adres was verzonden en belanghebbende niet had bereikt. Zelfs nadat de verzuimboete was vernietigd, heeft hij meerdere keren telefonisch contact moeten opnemen met de ontvanger om de vervolgingskosten te laten vervallen. De ontvanger meende echter dat de vervolgingskosten alleen verlaagd moesten worden vanwege de vermindering van de aanslagen en heeft om die reden besloten ook nog een hoorgesprek te houden, aldus de gemachtigde. Bovendien is ook verweer gevoerd tegen de opgelegde verzuimboete, aldus nog steeds de gemachtigde.
De rechtbank stelt voorop dat de wegingsfactor wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. Op grond van onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de wegingsfactoren ingedeeld in vijf categorieën, van zeer licht (factor 0,25) tot zeer zwaar (factor 2). Iedere zaak dient op zichzelf te worden beoordeeld naar aard, belang en ingewikkeldheid van die zaak en de omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden. Genoemde factoren dienen vervolgens in de voor die zaak te bepalen wegingsfactor tot uitdrukking te komen.
De rechtbank is van oordeel dat moet worden uitgegaan van een wegingsfactor 0,5 (licht) en overweegt als volgt. Het geschil in de bezwaarprocedure bij de ontvanger had betrekking op de in rekening gebrachte kosten van twee dwangbevelen. De ontvanger heeft op de zitting de toelichting van de gemachtigde ter zitting bevestigd dat de ontvanger – na de vermindering van de aanslagen en vernietiging van de verzuimboete door de inspecteur - toch niet volledig aan belanghebbende tegemoet kwam en daarom gemeend heeft een hoorzitting te moeten houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval geen sprake was een kennelijk evidente zaak. De omstandigheid dat volgens de ontvanger de gemachtigde had kunnen volstaan met een verwijzing naar de procedure tegen de betreffende aanslagen en het ingediende bezwaar daarvan, acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om de wegingsfactor zeer licht te hanteren gelet op de door de gemachtigde onweersproken gestelde omvang van zijn werkzaamheden die in dit geval nodig waren.
De stelling van belanghebbende dat ook verweer is gevoerd tegen de verzuimboete waardoor de behandeling van de zaak in de categorie gemiddeld behoort, volgt de rechtbank niet. Het (inhoudelijke) verweer tegen de verzuimboete is gevoerd in de bezwaarprocedure over de verzuimboete en staat inhoudelijk los van de procedure over de vervolgingskosten. De procedure over de verzuimboete weegt dan ook niet mee bij het bepalen van het gewicht dat aan de procedure over de vervolgingskosten moet worden toegekend.
Volgens belanghebbende heeft de ontvanger onzorgvuldig gehandeld, is sprake van willekeur en schending van het gelijkheidsbeginsel door een lagere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) te hanteren.
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die conclusie rechtvaardigen dat sprake is van willekeur of schending van het gelijkheidsbeginsel. Het bestuursorgaan beoordeelt zelfstandig in welke gewichtscategorie een zaak valt. Dit is een individuele beoordeling in een individueel geval waarbinnen de ontvanger ook enige beoordelingsvrijheid moet worden gegeven. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om aan deze zaak een hogere wegingsfactor dan 0,5 toe te kennen. De omstandigheid dat de ontvanger geen punt heeft toegekend voor het bijwonen van het hoorgesprek is niet zorgvuldig, maar niet zodanig onzorgvuldig dat hieraan aanvullende gevolgen moeten worden verbonden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat partijen het erover eens zijn dat bij de kostenvergoeding voor de bezwaarfase 1 punt voor het bijwonen van het hoorgesprek moet worden toegekend en belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding in de bezwaarfase voor twee proceshandelingen met een waarde van € 666 en wegingsfactor 0,5 (licht), in totaal € 666.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan aan hem bij de uitspraak op bezwaar is toegekend.
Omdat het beroep gegrond is, moet de ontvanger het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De ontvanger moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en was aanwezig ter zitting (1 punt). De rechtbank heeft in dit geval voor de beroepsfase een factor 0,5 toegepast voor de zwaarte van de zaak. De rechtbank is van oordeel dat de zaak van licht gewicht is, omdat het beroep enkel was ingesteld vanwege de te lage kostenvergoeding in bezwaar. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 934.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de beslissing over de kostenvergoeding;
- veroordeelt de ontvanger tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 666 onder verrekening van hetgeen reeds is betaald;
- veroordeelt de ontvanger tot betaling van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase aan belanghebbende van € 934;
- bepaalt dat de ontvanger het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.