Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10286 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-10286
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/970
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10286
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verzuimboete
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/970
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verzuimboete die aan belanghebbende is opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021. Belanghebbende is het niet eens met de verzuimboete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht is opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende met de vaststelling van de aanslag IB/PVV over het jaar 2021 een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboete).
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 januari 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 11 augustus 2026 met adres [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 12 augustus 2026 is bezorgd en voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Gelet op het voorgaande heeft de zitting plaatsgevonden zonder aanwezigheid van belanghebbende.
Feiten
3. Belanghebbende woont volgens de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
De inspecteur heeft belanghebbende per brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van een aangifte IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2021. Hij heeft op grond van de Becon-regeling uitstel gekregen tot 1 mei 2023.
Belanghebbende is op 1 juni 2023 herinnerd en op 10 juli 2023 aangemaand om aangifte IB/PVV en Zvw 2021 te doen. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte uiterlijk 24 juli 2023 moest zijn ingediend. Belanghebbende heeft binnen die termijn geen aangifte gedaan.
Tot de stukken van het geding behoort een brief van de DigiD helpdesk aan belanghebbende van 17 juli 2023. Daarin staat:
“ [persoon] heeft via DigiD Machtigen een aanvraag gedaan voor een machtiging. Met een machtiging geeft u iemand toestemming om uw zaken digitaal te regelen, zonder uw DigiD af te staan
[persoon] wil voor u aan de slag met het volgende
Inkomstenbelasting en toeslagen
(…)
Organisatie(s) Belastingdienst, MijnOverheid, Belastingdienst/Toeslagen.
(…)
[persoon] kan pas voor u aan de slag als u de machtiging heeft goedgekeurd.”
Op 26 juli 2023 heeft belanghebbende zelf de aangifte IB/PVV en ZVW 2021 ingediend.
Met dagtekening 27 mei 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2021 opgelegd en gelijktijdig een verzuimboete van € 385 vastgesteld wegens het niet tijdig indienen van de aangifte IB/PVV 2021.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten, omdat zij van oordeel was dat het onderzoek in deze zaak is voltooid. De rechtbank doet dan uitspraak op grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Stukken die nadien worden ingediend, worden buiten beschouwing gelaten. Dit is slechts anders als de rechter op basis van die nadien ingediende stukken van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest en het onderzoek heropent.
Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek op de zitting op 14 september 2026, 16 september 2026, 23 september 2026, 30 september 2026 en 7 oktober 2026 (aanvullende) stukken ingediend. De rechtbank ziet in die stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en laat deze buiten beschouwing.
Mandaat inspecteur
Belanghebbende heeft verzocht om de mandaatbesluiten van de betrokken inspecteurs. De inspecteurs die op de zitting aanwezig waren hebben desgevraagd hun mandaatbesluit aan de rechtbank getoond waaruit volgt dat zij bevoegd zijn als inspecteur en in die hoedanigheid ook bevoegd zijn aan de zitting deel te nemen. [inspecteur 1] heeft daarnaast zijn mandaatbesluit getoond waaruit volgt dat hij bevoegd is om het verweerschrift in te dienen. De rechtbank acht de mandatering daarmee aangetoond en gaat er vanuit dat daarmee ook aan het verzoek van belanghebbende om de mandaten van de betrokken ambtenaren van de Belastingdienst te toetsen, is voldaan.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
De rechtbank is niet gebleken dat er op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken. De inspecteur heeft de machtigingsbrief van de nieuwe gemachtigde van 17 juli 2023 als bijlage 23 van het verweerschrift overgelegd. De overige door belanghebbende genoemde stukken zien - naar de rechtbank begrijpt – op de procedure tegen de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2021. Deze stukken kunnen niet als op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure worden aangemerkt. De stukken zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van belang voor de beoordeling van het geschil met betrekking tot de verzuimboete. Voor zover belanghebbende doelt op stukken van de ontvanger oordeelt de rechtbank dat de inspecteur enkel gehouden is stukken te overleggen waar hij over beschikte voor het opleggen van de verzuimboete. Ook de stukken van de ontvanger kunnen niet als op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure worden aangemerkt.
Belanghebbende stelt dat de boete moet worden vernietigd omdat de inspecteur heeft verzuimd hem de cautie te geven en hem niet heeft gewezen op zijn recht op rechtsbijstand.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur belanghebbende bij brief van 7 november 2025 erop heeft gewezen dat belanghebbende niet verplicht is om op vragen over de boete antwoord te geven en dat belanghebbende recht op rechtsbijstand heeft. De rechtbank stelt ook vast dat er voor deze brief al contact is geweest tussen de inspecteur en belanghebbende over het overlijden van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende. Niet is gesteld of gebleken dat toen ook al de cautie was gegeven en op het recht op rechtsbijstand was gewezen. De rechtbank moet dan beoordelen of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat belanghebbende geen behoorlijk proces heeft als van die verklaringen gebruik wordt gemaakt voor het bewijs voor beboetingsdoeleinden tegen haar.
De verklaringen van belanghebbende kunnen bij een verzuimboete enkel in het voordeel van belanghebbende werken. Voor het opleggen van de verzuimboete zijn deze niet relevant, daarbij gaat het er alleen om of te laat aangifte is gedaan. Voor het opleggen van een verzuimboete is namelijk niet vereist dat sprake is van opzet of schuld bij belanghebbende. De verklaringen zijn daarom niet gebruikt als belastend bewijs bij het opleggen van de boete. Deze kunnen juist ontlastend werken en aanleiding geven om afwezigheid van alle schuld aan te nemen, waardoor de verzuimboete wordt gematigd of vernietigd. De rechtbank verbindt daarom geen gevolgen aan het niet tijdig wijzen op de cautie en het recht op rechtsbijstand.
Ten aanzien van al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd over het handelen van de inspecteur oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur, het Unierecht of een andere regelgeving waaraan het handelen van de inspecteur moet voldoen.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan binnen een in de aanmaning gestelde termijn.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van de aangifte IB/PVV 2021. De rechtbank acht aannemelijk, gelet op de door de inspecteur overgelegde verzendrapporten, dat de brieven naar het juiste adres zijn verzonden.
Vaststaat dat belanghebbende de aangifte niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft ingediend. Daarmee staat vast dat er sprake is van een verzuim en is de verzuimboete in beginsel terecht opgelegd.
Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat er sprake is van opzet of schuld bij de belastingplichtige. Wel moet de verzuimboete achterwege blijven als sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig aangifte werd gedaan. De bewijslast rust op belanghebbende.
Belanghebbende doet een beroep op overmacht. Hij stelt dat zijn toenmalige gemachtigde is overleden en dat hij in de veronderstelling was dat iemand anders het over zou nemen.
De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de toenmalige gemachtigde pas na de aangiftetermijn in oktober 2023 is overleden. De rechtbank heeft geen correspondentie gezien waaruit volgt dat belanghebbende naar aanleiding van de uitnodiging, herinnering en aanmaning zijn toenmalige gemachtigde, een kantoorgenoot of mogelijke nieuwe gemachtigde heeft verzocht om de aangifte te verzorgen en tijdig in te dienen. Belanghebbende verklaart wel dat dit zo is, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Alleen het verzoek om een DigiD-machtiging is onvoldoende, aangezien daaruit niet volgt dat de machtiging is afgegeven en belanghebbende heeft afgesproken dat de aangifte zou worden ingediend. Uiteindelijk heeft hij ook zelf de aangifte ingediend. Het zou kunnen zijn dat belanghebbende meer acties heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend. Hij heeft daarvan echter geen stukken overgelegd, zoals de e-mailberichten waar belanghebbende naar verwijst. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle in de omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstellingen dat tijdig aangifte werd gedaan. Ook ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de boete te matigen. De rechtbank acht de verzuimboete in dit geval passend en geboden.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.