Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 24/5901
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10275
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:55; Verzet ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/5901


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2026 op het verzet van


[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van belanghebbende kennis te nemen.

1.1.

Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

2.1.

Belanghebbende stelt voorop dat hij recht heeft op een termijn van tenminste vier weken om het verzetschrift te herstellen, terwijl hem slechts twee weken is geboden. Daardoor zijn volgens belanghebbende zijn (proces)rechten geschonden. Verder stelt belanghebbende dat hij heeft verwezen naar een door de Belastingdienst verzonden brief waarvan de exacte datum bekend is en de Belastingdienst weigert de brief in het geding te brengen. Belanghebbende had de gelegenheid willen krijgen om de brief van 27 maart 2023, die hij nog niet terug heeft kunnen vinden, alsnog in het geding te brengen. Volgens belanghebbende dient de uitspraak te worden gebaseerd op deze brief en niet op het bezwaarschrift van 4 mei 2023. Daarnaast zag het beroep niet alleen op de verschuldigdheid van dwangsommen en is sprake van onaanvaardbare vooringenomenheid, ontoelaatbare partijdigheid en schending van rechten.

2.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende een termijn van twee weken heeft gekregen om het verzuim in verzet binnen twee weken te herstellen. Dit is in overeenstemming met het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. Bovendien heeft belanghebbende tijdig gereageerd en worden de gronden meegenomen in de verzetprocedure. De rechtbank ziet dan niet in welke rechten van belanghebbende geschonden zouden zijn.

2.4.

De rechtbank heeft belanghebbende verzocht op grond van artikel 8:45 van de Awb de brief van 27 maart 2023 te overleggen. De brieven waar dit verzoek in is gedaan zijn verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. De enveloppe waarin de aangetekende brief van 8 mei 2026 is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Daarop is de brief op 15 juni 2026 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank zal op grond van 8:31 van de Awb de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Die gevolgtrekking is dat de rechtbank aanneemt dat de brief van 27 maart 2023 – ervan uitgaande dat deze bestaat – niet een voor bezwaar vatbare beschikking is.

2.5.

De rechtbank is dan ook niet gebleken dat het beroep ziet op een voor bezwaar vatbare beschikking. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 december 2025 dan ook terecht geoordeeld dat zij onbevoegd is.

2.6.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding wegens immateriële schade. Voor zover daarmee is bedoeld om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn, wijst de rechtbank dat verzoek af aangezien de rechtbank aanneemt dat belanghebbende niet bezwaargerechtigd is en daarnaast deze procedure over een verzochte dwangsom gaat. De rechtbank is verder onbevoegd een oordeel te geven over het gedane verzoek om schadevergoeding. De belastingrechter heeft immers alleen de mogelijkheid om schade te vergoeden in verband met een procedure over een voor bezwaar vatbare beschikking. Daar is hier geen sprake van.

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af en is onbevoegd ten aanzien van het verdere verzoek om schadevergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het verzet ongegrond;

  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;

  • verklaart zich ten aanzien van overige verzoeken om schadevergoeding onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier.

griffier rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660 Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.