Belastingrecht

Bpm. Klacht over historische nieuwprijs slaagt en kostenvergoeding voor het bezwaar te laag vastgesteld.

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2025

Zaakgegevens

Op 8 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
8 juli 2025
Datum publicatie
21 juli 2025
Zaaknummer
AWB - 23 _ 8494
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:13227
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bpm. Klacht over historische nieuwprijs slaagt en kostenvergoeding voor het bezwaar te laag vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 23/8494

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid).

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 november 2023 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag .

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en

mr. [medewerker belastingdienst 2].

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 11.216 en draagt verweerder op de belastingrente dienovereenkomstig te verminderen;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 200

  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 300;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 2.516;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op aangifte een bedrag van € 9.213 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Audi Q3 Sportback (de auto). Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 115.989, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 70.404, de schade op € 9.077 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 30.000.

2. Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. Het DRZ-rapport vermeldt een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 74.381, een bedrag aan schade van € 254 en een waardevermindering van € 183 (72% van € 254).

3. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft verweerder een naheffingsaanslag bpm opgelegd. Verweerder is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 125.404, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 74.564. Verder heeft verweerder, in tegenstelling tot DRZ, geen schade in aanmerking genomen. Verweerder heeft aldus de verschuldigde bpm berekend op 21.182. De nageheven belasting bedraagt € 11.969 (€ 21.182 -/- € 9.213). Ook is aan eiser € 59 belastingrente in rekening gebracht.

4. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder alsnog rekening gehouden met de waardevermindering wegens schade zoals vastgesteld door DRZ. De naheffingsaanslag is om die reden verminderd tot € 11.919.

5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld.

Herleidingsmethode

6. Eiser heeft aangevoerd dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich er tegen verzet dat er een hogere bpm op de auto rust dan de herrekende bruto Bpm die is vastgesteld bij vergelijkbare voertuigen die zich op het moment van registratie reeds op de Nederlands markt bevonden. De verschuldigde bpm dient daarom te worden vastgesteld middels de herleidingsmethode.

7. Voor de door eiser gevolgde berekeningsmethode kan geen steun worden gevonden in de wet. Eiser heeft met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat door het niet accepteren van zijn berekeningsmethode sprake is van schending van het bepaalde in artikel 110 VWEU. De verwijzing naar het bedrag aan bruto bpm zoals dat blijkt uit het kentekenregister voor volgens eiser vergelijkbare auto’s is, tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder, daarvoor onvoldoende. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2022.

Deskundigheid hertaxateur DRZ

8. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.

Waardevermindering wegens schade

9. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de schade die in het taxatierapport is opgenomen. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiser.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, waaronder de twee in het beroepschrift opgenomen foto’s, niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan de schade die door verweerder bij de uitspraak op bezwaar in aanmerking is genomen.

Dat, zoals eiser stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde

11. Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de klacht over de historische nieuwprijs slaagt en dat de door eiser bepleite historische nieuwprijs kan worden gevolgd. De historische nieuwprijs dient dan te worden vastgesteld op € 129.725. Verder heeft verweerder ter zitting verklaart dat hij, anders dan in het verweerschrift, niet langer betwist dat de handelsinkoopwaarde van de auto € 74.381 bedraagt, zoals door DRZ is vastgesteld. De verschuldigde bpm wordt dan € 20.429. De naheffingsaanslag dient daarom te worden verminderd tot € 11.216. Het beroep is in zoverre gegrond.

Vertrouwensbeginsel

12. Eiser heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tussen de hertaxatie door DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag ruim één jaar is. Door het lange stilzitten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd.

13. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder handelt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel indien hij (binnen de wettelijke termijn) een naheffingsaanslag oplegt op een later tijdstip dan mogelijk zou zijn geweest. Door het enkele verstrijken van de door eiser genoemde tijd kan immers bij hem niet het in rechte te beschermen vertrouwen zijn opgewekt dat verweerder van naheffing zal afzien.

Proceskostenvergoeding voor het bezwaar

14. Eiser heeft verder gesteld dat de kostenvergoeding voor het bezwaar te laag is vastgesteld.

15. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2024 arrest gewezen in de zaak met nummer 23/03218 en daarin overwogen dat het verschil in waarde per punt tussen enerzijds belastingzaken en anderzijds overige bestuursrechtelijke zaken, zoals genoemd in de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder B2, mogelijk in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Aldus moet met ingang van dat arrest voor de kosten van rechtsbijstand in belastingzaken voor de bezwaarfase worden uitgegaan van de hogere vergoeding per punt die geldt voor overige bestuursrechtelijke zaken. De rechtbank zal alsnog de hogere waarde per punt toepassen. De kostenvergoeding voor het bezwaar dient dan te worden vastgesteld op € 1.294 (2 punten met een waarde per punt van € 647. Verweerder heeft reeds een kostenvergoeding toegekend van € 592 (2 x € 296). Eiser heeft dan nog recht op een kostenvergoeding voor het bezwaar van € 702.

Slotsom

16. Gelet op wat hiervoor onder 11 en 15 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

Vergoeding van immateriële schade

17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 9 februari 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 8 juli 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met vijf maanden.

18. De rechtbank merkt op dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024 hier niet van toepassing is, omdat de redelijke termijn op de datum van het arrest nog niet was overschreden. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000 heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 10 november 2023, komt de termijnoverschrijding voor 3/5e deel, ofwel € 300, voor rekening van verweerder en voor 2/3e deel, ofwel € 200, voor rekening van de Staat.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 juli 2025.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

ECLI:NL: GHSHE:2022:1894 r.o. 4.3 e.v. ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318. Vgl. HR 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992. ECLI:NL:HR:2024:1060. ECLI:NL:HR:2024:853.