Belastingrecht
Herziene aangifte aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en afgewezen. Beroep tegen de afwijzing…
Rechtbank Den Haag, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19786 · Rechtbank Den Haag · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-19786
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- AWB - 26 _ 2438
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19786
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herziene aangifte aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en afgewezen. Beroep tegen de afwijzing is niet-ontvankelijk. Dat eiser tot de laatste dag van de beroepstermijn heeft gewacht en daarbij werd gehinderd door computerproblemen komen voor zijn rekening en risico.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 26/2438, SGR 26/2439 en SGR 26/2441
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaken tussen
ir. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 28 januari 2026 op het bezwaar van eiser tegen de afwijzende beslissingen op eisers verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 (SGR 26/2438), 2018 (SGR 26/2439) en 2019 (SGR 26/2441).
Het beroep met zaaknummer SGR 26/2456 is door de rechtbank ten onrechte aangemaakt en zal worden afgeboekt. De rechtbank zal in die zaak geen uitspraak doen.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. Op 18 december 2022 is door eiser een gewijzigde aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend. Op 24 december 2022 is door eiser een gewijzigde aangifte IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 ingediend.
2. Verweerder heeft de herziene aangifte IB/PVV 2017 aangemerkt als een bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en deze niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft verweerder de herziene aangifte IB/PVV 2017, alsmede de herziene aangiften voor de jaren 2018 en 2019 in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering (de verzoeken).
4. Bij beslissing van 16 mei 2025 heeft verweerder de verzoeken afgewezen.
5. Op 27 juni 2025 heeft verweerder het bezwaar tegen deze afwijzende beslissingen ontvangen.
6. Bij uitspraak van 28 januari 2026 heeft verweerder dit bezwaar afgewezen.
7. In geschil is allereerst of het beroep tijdig is ingediend, dan wel of het beroep verschoonbaar te laat is ingediend. Indien de beroepen ontvankelijk zijn, is in geschil of verweerder de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
8. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen.
9. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift belanghebbende niet kan worden toegerekend (verschoonbare termijnoverschrijding). In dat geval laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
10. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is (woensdag) 28 januari 2026. De beroepstermijn voor de uitspraak op bezwaar begint dan ook op 29 januari 2026 en eindigde op (woensdag) 11 maart 2026. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de uitspraak pas na 28 januari 2026 is verzonden. Dit betekent dat het op 16 maart 2026 door de rechtbank ontvangen beroepschrift gericht tegen de uitspraak op bezwaar niet tijdig is ingediend. De rechtbank dient de beroepen dus niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de te late indiening niet aan eiser is toe te rekenen.
11. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 11 maart 2026 zijn beroepschrift wilde indienen, maar dat er sprake was van een crash in het systeem. Op het moment van indienen heeft eiser geen foutmelding gezien, maar hij kreeg deze pas toen hij enkele dagen later wilde controleren of hij al een bericht van de rechtbank had ontvangen. Dat eiser zijn beroepschrift op 11 maart 2026 wilde indienen, blijkt volgens eiser uit de volmacht voor zijn vrouw waarop dezelfde datum staat vermeld en wat de laatste stap is bij het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank. Ter zitting heeft eiser verder opgemerkt dat het systeem ingewikkelde software gebruikt waarbij regelmatig dingen verkeerd gaan.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de datum op de volmacht geen bewijs levert dat eiser ook op die dag beroep heeft willen instellen. Verder voert verweerder aan dat, ongeacht de juistheid van de stelling dat er computerproblemen waren, de te late indiening van het beroepschrift voor rekening en risico komt van eiser.
13. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de datum op de volmacht niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op die dag ook daadwerkelijk het beroep heeft ingediend. Ook de gestelde computerproblemen maken de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat eiser zes weken de tijd heeft gehad om tijdig, en zo nodig op nader aan te voeren gronden, beroep in te stellen. Dat hij vervolgens tot de laatste dag van die termijn heeft gewacht met het instellen van beroep, en daarbij werd gehinderd door computerproblemen, komt voor zijn risico. Er is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan een nietontvankelijkverklaring.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de beroepen niet inhoudelijk worden behandeld.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).