Belastingrecht
naheffingsaanslag parkeerbelasting, aanslag opgelegd aan vennootschap, eiser ontvankelijk in zijn beroep als…
Rechtbank Oost-Brabant, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7427 · Rechtbank Oost-Brabant · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbobr-2026-7427
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/510
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7427
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
naheffingsaanslag parkeerbelasting, aanslag opgelegd aan vennootschap, eiser ontvankelijk in zijn beroep als feitelijk parkeerder, in- en uitstappen, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/510
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: M. Sengers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan [naam] B.V. is opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft op 21 november 2025 aan [naam] B.V. een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] ) opgelegd ter hoogte van € 79,40. Dit bedrag omvat € 0,60 aan kosten parkeerbelasting en € 78,80 aan kosten naheffing.
Met de uitspraak op bezwaar van 15 januari 2026 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
Vooraf
2. De griffier heeft eiser met een aangetekende brief uitgenodigd om deel te nemen aan de zitting. Eiser is niet naar de zitting gekomen en heeft de rechtbank niet van tevoren laten weten dat hij niet zou komen. Daarom heeft de griffier onderzocht of de aangetekende brief eiser heeft bereikt. Uit de informatie van PostNL blijkt dat de brief op 15 juli 2026 is aangeboden en bezorgd op het adres van eiser. De rechtbank heeft de brief niet terugontvangen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de uitnodiging eiser heeft bereikt.
Ontvankelijkheid
3. De naheffingsaanslag is opgelegd aan [naam] B.V. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard dat niet alleen de ontvanger van de aanslag, maar ook de feitelijk parkeerder gerechtigd is om tegen de naheffingsaanslag bezwaar te maken. Omdat niet in geschil is dat eiser de feitelijk parkeerder is van het voertuig, was hij gerechtigd om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag en beroep in te stellen tegen de bestreden uitspraak.
Feiten
4. Aan eiser is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat is geconstateerd dat hij een auto zonder duidelijk zichtbaar geldig betaalbewijs heeft geparkeerd aan de [adres] in [woonplaats] op 14 november 2025 omstreeks 20.23 uur. De [adres] is op grond van gemeentelijke regelgeving aangewezen als locatie waar parkeerbelasting wordt geheven.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die op de zaak van toepassing zijn
6. Op grond van de Gemeentewet en de gemeentelijke regelgeving (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: “het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.”
7. In de Verordening staat dat parkeerbelasting is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel of RFID-kaart inloggen op de centrale computer.
Het standpunt van eiser
8. Eiser voert aan dat geen sprake was van parkeren, maar van onmiddellijk laden en lossen. Hij heeft zijn vrouw en kind geholpen met uitstappen en met het uitladen van de kinderwagen. De auto is nooit onbeheerd achtergebleven. Omdat geen sprake is van parkeren, is de naheffingsaanslag onterecht opgelegd, aldus eiser.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
9. Bij ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ zoals bedoeld in de Verordening moet het volgens vaste rechtspraak gaan om de handelingen die echt het in en uit de auto stappen vormen. De tijd die nodig is om een passagier onmiddellijk te laten uitstappen, omvat bijvoorbeeld niet de tijd die de passagier nodig heeft om na het uitstappen zijn bestemming te bereiken. Ook 2 à 3 minuten de auto achterlaten op de parkeerplaats is niet: “onmiddellijk in-of uitstappen”. Kortom: als er activiteiten plaatsvinden die geen direct verband houden met het in- of uitstappen, maar die er wel voor zorgen dat de periode van het stilstaan langer wordt, is geen sprake van ‘onmiddellijk in- en uitstappen’, maar van ‘parkeren’ in de zin van de parkeerverordening.
10. Eiser heeft gesteld dat hij zijn vrouw en baby hielp bij het uitstappen en bij het uitladen van de kinderwagen. Hij heeft daarnaast gesteld dat de motor is blijven draaien en de auto nooit onbeheerd is achtergebleven. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring niet strookt met het fotomateriaal van de heffingsambtenaar. Op de foto’s die bij het mini-proces-verbaal zijn gevoegd is namelijk te zien dat eisers auto in een parkeervak staat. De lampen van de auto zijn gedoofd. Ook de directe omgeving rondom de auto is zichtbaar op de foto’s. In of in de directe nabijheid van de auto zijn geen personen zichtbaar. Er zijn dus geen handelingen zichtbaar die verband zouden kunnen houden met het laten uitstappen van personen. De rechtbank merkt daarbij op dat de foto’s een voldoende duidelijk beeld laten zien van de auto en de omgeving en dat de heffingsambtenaar zich heeft mogen baseren op deze foto’s. Weliswaar is sprake van een momentopname. Maar, omdat het voor het kwalificeren van de door eiser gestelde handelingen noodzakelijk is dat een persoon direct bij de auto aanwezig is en omdat dat niet zichtbaar is, voldoen de foto’s als onderbouwing van de stelling van de heffingsambtenaar. Eisers stelling dat sprake is van onmiddellijk in- en uitstappen volgt de rechtbank daarom niet. Dat betekent dat sprake is van parkeren en dat eiser parkeerbelasting had moeten betalen.
11. Nu vaststaat dat eiser de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht aan eiser opgelegd.
12. De naheffingsaanslag is dus terecht aan eiser opgelegd en gehandhaafd met de uitspraak op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.W. Emmen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.