Belastingrecht

naheffingsaanslag parkeerbelasting, geen gerechtvaardigd vertrouwen dat eiser ter plaatse mocht parkeren met…

Rechtbank Oost-Brabant, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
26/524
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7428
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

naheffingsaanslag parkeerbelasting, geen gerechtvaardigd vertrouwen dat eiser ter plaatse mocht parkeren met zijn parkeervergunning zonder te betalen, eiser heeft niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/524

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar.

(gemachtigde: M. Sengers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan hem is opgelegd.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft op 16 december 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] ) opgelegd ter hoogte van € 81,20. Dit bedrag omvat € 2,40 aan kosten parkeerbelasting en € 78,80 aan kosten naheffing.

1.2.

Met de uitspraak op bezwaar van 6 februari 2026 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Feiten

2.1.

Eiser is woonachtig aan de [adres] . Hij heeft een parkeervergunning voor het betaald parkeren gebied [adres] voor een auto met kenteken [kenteken] .

2.2.

Op 6 december 2025 om 11.24 uur stond de auto van eiser (met het kenteken [kenteken] ) geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] ter hoogte van huisnummer 192. Deze parkeerplaats is op grond van gemeentelijke regelgeving aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. Deze parkeerplaats valt binnen het betaald parkeren gebied [adres] . Tijdens een controle op het hiervoor genoemde moment is geconstateerd dat de parkeerbelasting niet was betaald. Vervolgens is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De wettelijke regels die op de zaak van toepassing zijn

4. Op grond van de Gemeentewet en de gemeentelijke regelgeving (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: “het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.”

5. In de Verordening staat dat onder de naam ‘parkeerbelastingen’ de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Het standpunt van eiser

6. Eiser voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij erkent dat zijn auto geparkeerd stond op een locatie waar hij geen parkeervergunning voor heeft, maar heeft er gerechtvaardigd op vertrouwd dat hij ter plaatse wel met zijn parkeervergunning mocht parkeren. Daarover heeft eiser toegelicht dat hij eerder in dezelfde straat geparkeerd heeft, waarna hem ook een naheffingsaanslag is opgelegd. Deze naheffingsaanslag dateert van 29 april 2025 en is met de uitspraak op bezwaar van 13 mei 2025 vernietigd met als overweging dat eiser in die straat mocht parkeren met zijn parkeervergunning en dus geen parkeerbelasting hoefde te voldoen. Vanaf dat moment heeft eiser erop vertrouwd dat hij in de [adres] onder gebruikmaking van zijn parkeervergunning mocht parkeren en daarvoor geen parkeerbelasting verschuldigd was.

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

7. Van parkeren met een vergunning is alleen sprake, als bij het parkeren wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Er is geen sprake van parkeren met een vergunning, als aan één of meer van deze voorwaarden niet wordt voldaan. Eén van de voorwaarden voor het parkeren met de vergunning is dat wordt geparkeerd in het daartoe aangewezen vergunningsgebied. Van een weggebruiker mag verder worden verwacht dat hij nagaat of voor de plaats waar hij wil parkeren een belastingplicht geldt; hij heeft met andere woorden een onderzoeksplicht. Daaronder valt ook nagaan in welk gebied je geparkeerd staat en of je vergunning daar geldig is.

8. Het staat vast dat de auto op 6 december 2025 geparkeerd stond aan de [adres] in [woonplaats] , waar volgens de Verordening parkeerbelasting moet worden betaald. Tussen partijen is niet geschil dat de parkeervergunning van eiser niet geldig was op de locatie waar de auto geparkeerd stond. Ook staat niet ter discussie dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald. Dat betekent dat de naheffingsaanslag (in beginsel) terecht is opgelegd.

9.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel met zijn stelling dat de eerder op 29 april 2025 opgelegde naheffingsaanslag voor parkeren in dezelfde straat is vernietigd. Volgens eiser mocht hij er daarom op vertrouwen dat hij met zijn parkeervergunning ter plaatse mocht parkeren en dus geen parkeerbelasting hoefde te betalen.

9.2.

De heffingsambtenaar heeft erkend dat de naheffingsaanslag van 29 april 2025 na bezwaar is vernietigd, maar hij heeft toegelicht dat deze vernietiging is gebaseerd op een onjuiste conclusie. Destijds is ten onrechte niet nagekeken of de [adres] onder de aan eiser verleende parkeervergunning viel. De naheffingsaanslag is dus onterecht vernietigd. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar gesteld dat hij niet gehouden kan worden aan eerder gemaakte fouten in een beoordeling.

9.3.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan niet gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te laten voortduren. De enkele omstandigheid dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag in het verleden heeft vernietigd, betekent dus niet eiser in de toekomst zonder parkeervergunning en zonder parkeerbelasting te betalen mag parkeren in de [adres] . Als de gemaakte fout bij een belanghebbende tot opgewekt vertrouwen heeft geleid, moet het bestuursorgaan wel het bij een belanghebbende opgewekte vertrouwen respecteren totdat voor belanghebbende duidelijk is gemaakt dat dit vertrouwen wordt beëindigd.

9.4.

De rechtbank oordeelt dat eiser aan het vernietigen van de aanslag van 29 april 2025 niet het vertrouwen mocht ontlenen dat eiser daaraan stelt te hebben ontleend. De rechtbank overweegt allereerst dat zoals in het voorgaande is overwogen eiser een verantwoordelijkheid heeft om te onderzoeken in welk gebied zijn parkeervergunning geldig is. Op de zitting heeft eiser toegelicht hier geen onderzoek naar te hebben gedaan. Daarmee heeft eiser dus niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser ná de vernietigde aanslag, namelijk op 31 mei 2025, en vóór het moment waarop de hier aan de orde zijnde naheffingsaanslag is opgelegd, namelijk 16 december 2025, tweemaal is gewezen op het gebied waarbinnen de parkeervergunning geldig was. Eiser heeft namelijk een wijziging van het kenteken van zijn parkeervergunning doorgegeven. Deze aangevraagde wijziging is met de brief van 31 mei 2025 doorgevoerd door de heffingsambtenaar. In die brief is de volgende tekst opgenomen:

“Waar is mijn vergunning geldig?

Uw parkeervergunning is geldig in het gebied [adres] .

Via Parkeergebieden betaald parkeren woonwijken | Gemeente Eindhoven vindt u terug in welke gebieden de vergunning van toepassing is en in welke gebieden u mag parkeren.”

Het onderstreepte gedeelte betreft een hyperlink. Wanneer deze link wordt aangeklikt, wordt zichtbaar voor welke gebieden een afgegeven parkeervergunning geldig is.

Daarnaast is eiser ook in een andere uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2025 erop gewezen dat zijn parkeervergunning alleen binnen een bepaald gebied geldig is en hij de auto buiten dat gebied had geparkeerd. Eiser had toen zijn auto geparkeerd aan de [adres] , een straat die niet binnen het gebied van zijn parkeervergunning valt. In deze uitspraak op bezwaar staat:

“Uit de mij ter beschikking staande gegevens is gebleken dat de vergunning geldig is in het parkeergebied [adres] . De [adres] valt niet binnen dit vergunningsgebied. Hierdoor werd er geen parkeerbelasting betaald voor de parkeerplaats waar het voertuig stond geparkeerd. Op de site van de gemeente Eindhoven en in het aanwijsbesluit staat vermeld waar u met uw vergunning mag staan. Het is uw eigen verantwoordelijkheid zich hiervan op de hoogte te stellen.”

9.5.

Eiser heeft tijdens de zitting erkend dat hij niet op voormelde link heeft geklikt en ook niet op een andere wijze heeft nagekeken voor welk gebied zijn vergunning geldig was. Daarmee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht om na te gaan onder welke voorwaarden de parkeervergunning aan hem werd verleend. Deze onderzoeksplicht is inherent verbonden aan het recht om op basis van een vergunning te mogen parkeren op plaatsen waar parkeerbelasting verschuldigd is.

9.6.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat de auto van eiser weliswaar tweemaal in de [adres] stond geparkeerd, maar niet op dezelfde plaats. Uit het proces-verbaal van 21 april 2025 volgt dat de auto de eerste maal (die heeft geleid tot de naheffingsaanslag van 29 april 2025) geparkeerd stond ter hoogte van Cafetaria Trudoplein. Op 6 december 2025 stond de auto ook aan de [adres] , maar ter hoogte van de apotheek. De auto stond dus niet op dezelfde plaats. Ook om die reden had eiser er niet vanuit mogen gaan dat de vernietiging van de eerdere aanslag tot gevolg had dat eiser op een andere plek in [adres] mocht parkeren zonder te betalen.

9.7.

Gezien al het voorgaande heeft eiser aan de vernietigde naheffingsaanslag geen gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat hij zonder parkeerbelasting te betalen mocht parkeren aan de [adres] . De beroepsgrond slaagt niet.

10. De naheffingsaanslag is dus terecht aan eiser opgelegd en gehandhaafd met de uitspraak op bezwaar.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.W. Emmen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 oktober 2026.

griffier

rechter


Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Eindhoven (de Verordening) en Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren april 2025 van de gemeente Eindhoven (het Aanwijsbesluit). Artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Eindhoven. Artikel 1 van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Eindhoven. Hoge Raad 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA336. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 28 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:669. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3909.