Belastingrecht

niet-ontvankelijk, afwijzing verzoek om ISV

Rechtbank Den Haag, 23 maart 2026

Zaakgegevens

Op 23 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
23 maart 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 4877
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7620
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

niet-ontvankelijk, afwijzing verzoek om ISV

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 24/4877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., wonende te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 27 januari 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.

Eiseres heeft bij brief van 12 oktober 2023, door verweerder ontvangen op 13 oktober 2023, aan verweerder een ingebrekestelling gestuurd en verweerder gemaand om uitspraak op het bezwaarschrift te doen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Dit beroepschrift heeft de rechtbank op 16 mei 2024 ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026.

Namens eiseres is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 20 oktober 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Dodge Charger Hellcat (de auto). De datum van de eerste toelating is 14 juni 2021.

2. De auto is op 7 november 2022 door de RDW gekeurd. De kilometerstand bedroeg op dat moment 6.029 km.

3. In de aangifte Bpm is uitgegaan van een waardevermindering wegens schade. Eiseres heeft een taxatierapport van Cartax ingediend. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 29 september 2022. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur gevoegd.

4. In het taxatierapport zijn de volgende bedragen vermeld:

Historische nieuwprijs

€ 121.415

Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat)

€ 64.720

Schade (reparatiekosten)

€ 74.822

Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat)

-/- € 10.102

5. In de aangifte is uitgegaan van een taxatiewaarde van € 22.720 en een te betalen bedrag aan Bpm van € 20.730.

6. DRZ heeft de auto gecontroleerd en een groot deel van de opgegeven schade niet aangetroffen. Er is een bedrag van € 6.038 als schade aangemerkt. De handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) is bepaald op € 54.938.

7. Verweerder heeft met dagtekening 27 januari 2023 een naheffingsaanslag bpm van € 36.458 opgelegd, waarvan de nageheven Bpm € 36.452 bedraagt en een bedrag van € 6 aan belastingrente in rekening is gebracht.

Geschil

8. In geschil is of het beroep ontvankelijk is en zo ja of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep

9. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 27 oktober 2023. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 8 december 2023. De rechtbank heeft niet eerder dan op 16 mei 2024 een beroepschrift ontvangen. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de brief van 30 oktober 2023 naar de Ontvanger kan dienen als een beroepschrift. Het is de gemachtigde bekend dat beroep moet worden ingediend bij de rechtbank en de Ontvanger hoefde die brief niet anders op te vatten dan als een verzoek om uitstel van betaling.

10. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij destijds op 22 november 2023 tijdig een beroepschrift heeft opgesteld maar dat er bij de indiening iets verkeerd is gegaan. De gemachtigde kan het beroepschrift niet vinden bij zijn verzonden berichten en stelt dat aannemelijk is dat hij niet op de verzendknop heeft gedrukt of dat er iets anders computertechnisch verkeerd is gegaan. De rechtbank is van oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Het is aan de gemachtigde om ervoor zorg te dragen dat het beroepschrift tijdig op de juiste wijze wordt ingediend. Dat digitaal procederen nieuw was, zoals ter zitting aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat maakt eens te meer dat de gemachtigde goed moest opletten of hij de juiste stappen ondernam. Het beroep is niet-ontvankelijk.

11. Aangezien het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden.

Immateriële schade

12. De gemachtigde heeft ter zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 10 februari 2023 ontvangen en op 27 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 16 mei 2024 en doet op 23 maart 2026 uitspraak. De procedure heeft aldus 31 maanden geduurd. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang bij de procedure van € 1.000 of meer.

13. De rechtbank stelt vast dat uit het taxatierapport van eiseres een negatieve handelsinkoopwaarde volgt van € 10.102. De rechtbank acht dit zeer verwerpelijk; een negatieve handelsinkoopwaarde is onjuist en in strijd met de werkelijkheid. Nu eiseres op basis van een volstrekt ondeugdelijk taxatierapport procedeert dat overduidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank de conclusie dat (de gemachtigde van) eiseres tegen beter weten in procedeert. Het financiële effect van standpunten gebaseerd op dit taxatierapport wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Bovendien heeft verweerder onweersproken gesteld dat de auto rechtstreeks uit Amerika is geïmporteerd, wat ook volgt uit pagina 2 van het taxatierapport van eiseres, zodat artikel 110 VWEU toepassing mist. Ook de stelling met betrekking tot de herleidingsmethode geeft dus reeds daarom geen reëel financieel procesbelang. Er bestaat dan ook geen aanleiding om eiseres een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af en volstaat met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, en

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Pavkovic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3. Vgl. Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2023, ECLI:GHDHA:2023:2277, r.o. 5.5.