Belastingrecht
Rechtbank Den Haag · Mondelinge uitspraak · Belastingrecht
ECLI:NL:RBDHA:2017:6202 · Rechtbank Den Haag · 2 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbdha-2017-6202
Zaakgegevens
Op 2 juni 2017 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 juni 2017
- Datum publicatie
- 9 juni 2017
- Zaaknummer
- AWB - 17 _ 947
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:6202
Samenvatting
Beroep ongegrond
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 17/947
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 2 februari 2017 op het bezwaar van eiser tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2015.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Voor het jaar 2015 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aangegeven van € 16.498. Daarbij heeft hij € 9.539 aan specifieke zorgkosten, € 3.172 aan giften en € 2.505 aan scholingsuitgaven op zijn inkomen in aftrek gebracht. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de specifieke zorgkosten in aftrek toegelaten voor € 1.095 en de giften en de scholingskosten niet in aftrek toegelaten. De aanslag is aldus berekend naar een biww van € 30.619 (€ 16.498 + € 9.539 -/- € 1.095 + € 3.172 + € 2.505).
2. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de giften alsnog in aftrek toegelaten en de aanslag verminderd tot een, berekend naar een biww van € 27.447 (€ 30.619 -/- € 3.172).
3. In geschil is het bedrag aan specifieke zorgkosten dat in mindering komt op het biww en of eiser recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven en een hogere aftrek giften.
4. Bij de uitgaven voor specifieke zorgkosten die nog in geschil zijn gaat het om uitgaven voor medicijnen, hulpmiddelen, vervoer in verband met ziekte, genees- en heelkundige hulp en gezinshulp. Van de uitgaven voor gezinshulp heeft eiser kwitanties overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen die niet aan de wettelijke eis dat daarop op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp moeten zijn vermeld. Verweerder heeft deze uitgaven dan ook terecht niet in aftrek toegelaten. De overige uitgaven heeft eiser niet met enig bewijsstuk gestaafd en eiser heeft, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat uitgaven zijn gedaan op voorschrift van een arts of dat die volgens de daarvoor geldende wettelijke eisen kunnen worden aangemerkt als extra uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit. Verweerder heeft ook deze uitgaven daarom terecht niet in aftrek toegelaten.
5. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij recht heeft op een hogere aftrek giften omdat de stichting waaraan hij giften heeft overgemaakt een ANBI is. Dat dit het geval is heeft eiser echter niet met stukken onderbouwd en ook verder niet aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond faalt dus.
6. Voor aftrek in aanmerking komende scholingsuitgaven zijn uitgaven die de belastingplichtige doet voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Eiser heeft van de door hem in aftrek gebrachte scholingskosten geen enkel bewijsstuk ingebracht en evenmin gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat en op welke wijze die uitgaven zouden strekken tot het verwerven van inkomen. Verweerder heeft de scholingskosten daarom terecht niet in aftrek toegelaten.
7. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de aangiften voor voorafgaande belastingjaren door verweerder zijn gevolgd. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – meer nodig dan de enkele omstandigheid dat de aangiften voor eerdere jaren zijn gevolgd. Deze beroepsgrond zou kunnen slagen als het volgen van de aangiften voor eerdere jaren zou zijn gebaseerd op een bewuste standpuntbepaling van verweerder. Dat daarvan sprake is geweest blijkt niet uit de stukken en is uit hetgeen partijen verder over en weer hebben aangevoerd ook niet aannemelijk geworden. Deze beroepsgrond faalt dus ook.
8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.