Belastingrecht
Op grond van de artikel 8.14a geldt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting de wettelijke eis dat een…
Rechtbank Den Haag, 27 november 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:12587 · Rechtbank Den Haag · 27 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbdha-2019-12587
Zaakgegevens
Op 27 november 2019 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 november 2019
- Datum publicatie
- 27 november 2019
- Zaaknummer
- AWB - 19 _ 4255
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:12587
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Op grond van de artikel 8.14a geldt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting de wettelijke eis dat een kind ten minste zes maanden dan wel gedurende meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de basisregistratie personen als de belastingplichtige. Vaststaat dat aan voormelde wettelijke inschrijvingseis niet is voldaan. Eiser voldoet ook niet aan de in artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen eis dat één van de kinderen doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij eiser verblijft. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/4255
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
27 november 2019 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 6 juni 2019 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2019.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[A] en [B] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft met zijn ex-partner drie kinderen, waarvan 2 op
1 januari 2016 jonger waren dan 12 jaar. De kinderen stonden heel 2016 ingeschreven op het woonadres van zijn ex-partner.
2. De kinderen verblijven per twee weken één weekend bij eiser. Daarnaast verblijven de kinderen extra dagen bij eiser tijdens vakanties en feestdagen.
3. In geschil is of eiser voor het jaar 2016 recht heeft op toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK).
4. Omdat de kinderen niet op eisers woonadres staan ingeschreven in de Brp, heeft eiser alleen recht op IACK als een van de kinderen doorgaans ten minste 3 gehele dagen per week bij eiser verblijft. Er moet sprake zijn van een bestendige situatie van een gelijk of vrijwel gelijk verblijf van het kind in de huishoudens van beide ouders. Dit is niet het geval. Het verblijf van de kinderen bij eiser, standaard om de week een weekend, is onvoldoende om te kunnen spreken van “doorgaans ten minste drie gehele dagen per week”. Dat de kinderen tijdens de vakanties vaker bij eiser verblijven kan er niet toe leiden dat aan het “doorgaans” criterium wordt voldaan. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de financiële gevolgen van het mislopen van de IACK voor eiser een zware last vormen, bestaat er geen mogelijkheid om op basis van de voorliggende gegevens de IACK toe te kennen.
5. Eiser komt gelet op het voorgaande niet in aanmerking voor de IACK. Zijn stelling dat de regeling oneerlijk uitpakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het staat de rechter niet vrij af te wijken van de wet en de rechter mag niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen). .
6. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
27 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.