Bestuursprocesrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Den Haag, 24 februari 2026

Zaakgegevens

Op 24 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 februari 2026
Datum publicatie
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/16292
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16131
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

NO geen griffierecht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/16292

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingesteld.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoeker heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.

2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 187,-.

3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.

4. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht, omdat hij dit bedrag niet kan voldoen. De griffier van de rechtbank heeft verzoeker op 13 maart 2025 een brief gestuurd waarin staat dat het verzoek is afgewezen en dat verzoeker het griffierecht wel moet betalen. Op 20 maart 2025 heeft de griffier van de rechtbank aan verzoeker een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht binnen twee weken moet betalen. Ook staat in deze brief dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wordt verklaard en niet inhoudelijk wordt behandeld als verzoeker het griffierecht niet of niet op tijd betaalt. Volgens de track & trace van PostNL is de brief van 20 maart 2025 op 22 maart 2025 afgeleverd bij verzoeker, waarbij is getekend voor ontvangst.

5. Het griffierecht is niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen reden voor gegeven.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal niet inhoudelijk worden behandeld. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83, derde lid, van de Awb).

7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 februari 2026.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.