Omgevingsrecht

vovo; omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; gewone dwergvleermuis; verleende…

Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
SGR 26/6850
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29743
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo; omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; gewone dwergvleermuis; verleende omgevingsvergunnig heeft geen betrekking op de kap van 23 Canadapopulieren; verzoeker kan daarom niet het door hem beoogde resultaat bereiken; geen procesbelang; verzoek niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/6850


uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: M. van den Broek),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, het college

(gemachtigde: mr. H. Patang).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Rotterdam, vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. C.W. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om een verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te wijzigen. Verzoeker is het niet eens met de gewijzigde omgevingsvergunning en wil dat deze geschorst wordt totdat is beslist op zijn bezwaar. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek in deze uitspraak niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster beschikt over een omgevingsvergunning van 27 december 2024 voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Op 29 april 2026 heeft vergunninghoudster het college gevraagd deze omgevingsvergunning te wijzigen, in verband met de ontdekking van negen extra verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.

2.1.

Met het bestreden besluit van 27 augustus 2026 heeft het college ingestemd met het verbinden van nieuwe voorschriften aan de omgevingsvergunning van 27 december 2024.

2.2.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.

Het verzoek van verzoeker om vooruitlopend op de behandeling van zijn verzoek ter zitting een ordemaatregel te treffen, is door de voorzieningenrechter afgewezen.

2.4.

Het college heeft op het verzoek gereageerd.

2.5.

Verzoeker en vergunninghoudster hebben nadere stukken overgelegd.

2.6.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Vergunninghoudster is voornemens om de Tweebosbuurt in Rotterdam te herontwikkelen. Hiertoe heeft zij op 7 augustus 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van 40 bomen – waaronder 31 populieren – aan de Hilledijk in Rotterdam. Daarnaast heeft vergunninghoudster op 31 oktober 2019 een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) aangevraagd voor het opzettelijk beschadigen, vernielen, of wegnemen van nesten van de huismus, het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.

3.1.

De omgevingsvergunning voor de kap van de bomen aan de Hilledijk is met het besluit van 25 november 2019 verleend. Op 20 september 2021 is een wijzigingsbesluit genomen, waarmee de omgevingsvergunning gedeeltelijk – voor zeven populieren – is ingetrokken. De omgevingsvergunning voor de kap van 33 bomen is na de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2022 onherroepelijk geworden.

3.2.

Op 14 juli 2020 heeft het college aan vergunninghoudster een ontheffing op grond van de Wnb verleend in verband met het slopen van bebouwing en het realiseren van nieuwbouw in de Tweebosbuurt. Deze ontheffing ziet – voor zover hier van belang – op het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en op het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. De ontheffing is twee keer tussentijds gewijzigd. Op 27 december 2024 is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend waarmee de geldigheidsduur van de ontheffing is verlengd tot 31 december 2031. Op 29 april 2026 heeft vergunninghoudster verzocht deze omgevingsvergunning te wijzigen, omdat negen extra verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waren ontdekt.

3.3.

Met het bestreden besluit van 27 augustus 2026 heeft het college deze aanvraag ingewilligd en nieuwe voorschriften aan de omgevingsvergunning van 27 december 2024 verbonden.

Nadere stukken

4. Verzoeker heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting nog drie stukken ingediend. Stukken die na het sluiten van het onderzoek ter zitting ongevraagd zijn ingediend, blijven in beginsel buiten beschouwing. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor stukken die aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. Die uitzondering doet zich hier niet voor. De stukken worden daarom buiten beschouwing gelaten.

Het verzoek van verzoeker

5. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening voorkomen dat 23 Canadapopulieren aan de Hilledijk worden gekapt. Hij vreest dat de Canadapopulieren worden gekapt zonder dat vergunninghouder beschikt over een deugdelijk en actueel ecologisch onderzoek. De bomen bevatten volgens verzoeker rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en vormen een laan die dienst doet als essentiële vliegroute. Volgens verzoeker heeft de omgevingsvergunning voor de flora- en faunactiviteit betrekking op de kap van de Canadapopulieren en kan daarom met schorsing van het bestreden besluit voorkomen worden dat deze bomen worden geveld. Verzoeker wijst er in dit verband op dat in de ontheffing van 14 juli 2020 is opgenomen dat de aanvraag betrekking heeft op “het verwijderen van bomen en struiken”.

Heeft het bestreden besluit betrekking op de Canadapopulieren aan de Hilledijk?

6. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit betrekking heeft op de 23 Canadapopulieren aan de Hilledijk.

6.1.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stellen het college en vergunninghoudster zich terecht op het standpunt dat de verleende omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de Canadapopulieren aan de Hilledijk. Deze omgevingsvergunning ziet slechts op de (voortplantings- en rustplaatsen van) gewone dwergvleermuizen die zich in de bebouwing op het naastgelegen perceel bevinden. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat uit bijlage I bij de ontheffing van 14 juli 2020 volgt dat de Canadapopulieren aan de Hilledijk niet binnen het ontheffingsgebied vallen. Deze bijlage bevat een kaartje waarop de gebieden waarop de ontheffing betrekking heeft, rood zijn omrand. De Canadapopulieren aan de Hilledijk staan buiten deze gebieden. Uit de tekst van de ontheffing volgt weliswaar dat deze ook betrekking heeft op “het verwijderen van bomen en struiken”, maar vergunninghoudster heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat het hierbij niet gaat om de Canadapopulieren aan de Hilledijk, maar om andere bomen en struiken die zich wél binnen de rood omrande ontheffingsgebieden bevinden. Verder blijkt ook niet uit de omgevingsvergunning van 27 december 2024 of uit het bestreden besluit dat het gebied waarop de oorspronkelijke ontheffing van 14 juli 2020 betrekking had, later is uitgebreid tot de Canadapopulieren aan de Hilledijk. Uit de aan deze besluiten ten grondslag liggende onderzoeken en het daarbij behorende kaartmateriaal volgt dat de omgevingsvergunning beperkt is tot de bebouwing in het plangebied, dat wil zeggen de bebouwing op de percelen naast de bomenrij aan de Hilledijk. Eén van deze onderzoeken heeft weliswaar betrekking op de Canadapopulieren aan de Hilledijk, maar uit dit onderzoek volgt juist dat de bomenrij aan de Hilledijk geen essentieel foerageergebied en geen vliegroute voor de gewone dwergvleermuis vormt. Uit dit onderzoek blijkt niet dat voor het kappen van de bomen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevestigt dit onderzoek daarmee dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de Canadapopulieren.

6.2.

Wat hiervoor is overwogen betekent concreet dat het besluit dat door verzoeker wordt aangevochten, naar voorlopig oordeel geen betrekking heeft op de Canadapopulieren aan de Hilledijk. Het bestreden besluit betreft slechts de bebouwing op het naastgelegen perceel. Dit besluit behelst daarmee geen toestemming om ter plaatse van de Canadapopulieren aan de Hilledijk de verboden uit de Omgevingswet met betrekking tot flora en fauna te overtreden. Als zich – zoals verzoeker stelt – in deze bomen voortplantings- of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis of andere beschermde soorten bevinden, dan zal voor het beschadigen of vernielen hiervan een afzonderlijke omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moeten worden aangevraagd. Het betoog van verzoeker dat het kappen van de Canadapopulieren pas toegestaan kan worden nadat hiervoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is verleend, kan in de nu voorliggende zaak niet aan de orde komen. Deze procedure is beperkt tot de vraag of er aanleiding bestaat om het besluit van 27 augustus 2026 te schorsen. Nu dit besluit geen betrekking heeft op de Canadapopulieren aan de Hilledijk, is dat niet het geval. Of de voorgenomen kap van de Canadapopulieren aan de Hilledijk leidt tot overtreding van een verbodsbepaling uit de Omgevingswet, dient te worden beantwoord bij de behandeling van het verzoek om preventieve handhaving dat verzoeker inmiddels bij het college heeft ingediend.

6.3.

Gelet op het voorgaande kan verzoeker met de verzochte voorlopige voorziening niet het door hem beoogde resultaat bereiken. Schorsing van het bestreden besluit heeft immers geen gevolgen voor de voorgenomen kap van de bomen aan de Hilledijk, nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op die bomen. Verzoeker heeft daarom geen procesbelang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dat betekent dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Wat verzoeker voor het overige heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5153. Het rapport “Nader onderzoek vliegroute en foerageergebied vleermuizen” van Econsultancy van 8 oktober 2024.