Socialezekerheidsrecht

Voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Rechtbank Den Haag, 9 mei 2025

Zaakgegevens

Op 9 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 mei 2025
Datum publicatie
8 mei 2025
Zaaknummer
SGR 25/2194
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:7972
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/2194


uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2025 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(hierna ook: de Svb)

(gemachtigde: J.Y. van den Berg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de wijziging van de aanvrager van de kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het derde kwartaal van 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

1.2.

Verweerder heeft met het primaire besluit van 24 september 2024 bepaald dat verzoekster vanaf het derde kwartaal van 2024 niet meer de aanvrager is van de kinderbijslag voor haar zoon. Met het besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de Svb bij dat besluit gebleven. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?

2.1.

De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 21 maart 2025 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze aangetekend verzonden brief is retour gekomen. Op 24 april 2025 heeft de rechtbank de griffierechtnota per gewone post verzonden naar het adres zoals verzoekster dat in haar verzoekschrift heeft vermeld. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

2.2.

Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.