Vreemdelingenrecht
Machtiging tot voorlopig verblijf. Beroepsrecht. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Rechtbank Den Haag, 3 november 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:13216 · Rechtbank Den Haag · 3 november 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2016-13216
Zaakgegevens
Op 3 november 2016 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 3 november 2016
- Datum publicatie
- 4 november 2016
- Zaaknummer
- AWB 16/14133
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2016:13216
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Beroepsrecht.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 16/14133
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 november 2016 in de zaak tussen
[naam],
gemachtigde: mr. H.C. van Asperen,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. F. Schoot.
Procesverloop
Eiseres heeft op 28 juni 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 juni 2016 (het bestreden besluit).
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 september 2016. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Op 10 november 2014 heeft [naam] (referent) voor eiseres een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Op 16 december 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit). Referent heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een belanghebbende eerst bezwaar te maken alvorens hij beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
3. Eiseres en referent zijn beide belanghebbende bij het primaire besluit. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Het namens referent ingediende pro forma bezwaarschrift van 8 januari 2016, noch het aanvullend bezwaarschrift van 16 maart 2016 vermeldt dat het mede wordt ingediend namens eiseres. De omstandigheid dat het een aanvraag betreft die namens eiseres is gedaan, rechtvaardigt niet de conclusie dat ook namens haar bezwaar is gemaakt. Het gegeven dat verweerder in het bestreden besluit lijkt te refereren aan eiseres als bezwaarde is niet van doorslaggevende betekenis voor de door de bestuursrechter te beantwoorden vraag of eiseres bezwaar heeft gemaakt.
4. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting betoogd dat het beroep moet worden opgevat als mede ingesteld door referent. Daargelaten dat dit niets afdoet aan hetgeen hiervoor is overwogen, geldt dat in het beroepschrift op geen enkele wijze is vermeld dat dit (mede) namens referent is ingediend. De stelling van de gemachtigde ter zitting dat het gebruikte digitale formulier hiervoor geen ruimte laat, is niet onderbouwd en laat onverlet dat de gemachtigde langs andere weg kenbaar had kunnen maken dat er (mede) namens referent beroep wordt ingesteld. Het betoog van de gemachtigde ter zitting dat het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb ziet op drie-partijengeschillen en niet zozeer van belang hoort te zijn in een specifieke procedure als de onderhavige, wordt niet gevolgd, aangezien de wettekst geen grond biedt voor die uitleg en het vereiste van het maken van bezwaar ook al op grond van artikel 7:1 van de Awb geldt.
5. Nu niet is gebleken dat het eiseres redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt, heeft zij geen toegang tot de bestuursrechter. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2016.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.