Vreemdelingenrecht
Asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a…
Rechtbank Den Haag, 9 maart 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:4110 · Rechtbank Den Haag · 9 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2018-4110
Zaakgegevens
Op 9 maart 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 9 maart 2018
- Datum publicatie
- 10 april 2018
- Zaaknummer
- 18.2867
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:4110
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat gebleken is dat de vreemdeling in Italië internationale bescherming heeft verkregen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.2867
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2018 in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J.J. Janssen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2868, plaatsgevonden te Breda op 7 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en is een in Libanon geboren Palestijn. Hij heeft op 29 januari 2018 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard, omdat gebleken is dat eiser in Italië op 5 november 2012 internationale bescherming heeft verkregen.
2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:RVS:2016:2279), maakt de omstandigheid dat door Italië aan eiser internationale bescherming is verleend al dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Eiser heeft immers een sterke(re) band met Italië.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet naar Italië wil vanwege de slechte omstandigheden voor statushouders in dit land.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vrees niet voldoende om ten aanzien van Italië niet langer uit te mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat in het algemeen niet kan worden gezegd dat statushouders in Italië te kampen hebben met een situatie die in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hoewel de toegang tot huisvesting, werk en medische voorzieningen voor statushouders in Italië moeizaam is, bestaan er voor hen onder vergelijkbare voorwaarden als voor staatsburgers mogelijkheden om aan huisvesting, werk en medische hulp te komen. Dat het in de praktijk lastig is om daadwerkelijk toegang te krijgen tot de benodigde voorzieningen wil niet zeggen dat er hierdoor sprake is van een schending van internationale verdragen. Zo nodig kan eiser bescherming vragen aan de Italiaanse (hogere) autoriteiten. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat die autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden in het geval hij de bescherming inroept. Uit de omstandigheid dat door Italië aan eiser al internationale bescherming is verleend volgt dat dit land bereid is om hem te helpen.
5. Verweerder heeft volgens eiser verzuimd om in het bestreden besluit inhoudelijk in te gaan op de bij zienswijze overgelegde informatie over de situatie van statushouders in Italië. Door verweerder is dit ter zitting erkend. Er is dan ook sprake van een motiveringsgebrek.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de voornoemde informatie geen reden is om anders te oordelen dan reeds in het bestreden besluit is geschied. De informatie van eiser is algemeen van aard en heeft geen betrekking op een situatie die vergelijkbaar is met die van eiser. In ieder geval blijkt uit die informatie niet dat als eiser in Italië bij de (hogere) autoriteiten om bescherming had gevraagd, hem die bescherming zou zijn geweigerd.
In de omstandigheid dat verweerder pas in beroep zijn standpunt voldoende heeft onderbouwd, ziet de rechtbank aanleiding het voornoemde motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Immers, aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld.
6. De rechtbank ziet gezien het voorgaande geen aanleiding om de uitkomst van de op 16 januari 2018 gehouden zitting van de Afdeling met zaaknummer 201707135/1 af te wachten, zoals bepleit door eiser.
7. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,- (éénduizendtwee euro), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2018.
|
griffier |
rechter |
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.