Vreemdelingenrecht

Eiseres, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, heeft de staatssecretaris verzocht om opvang en…

Rechtbank Den Haag, 1 december 2014

Zaakgegevens

Op 1 december 2014 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
1 december 2014
Datum publicatie
15 januari 2015
Zaaknummer
AWB 14/16831
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2014:16454
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiseres, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, heeft de staatssecretaris verzocht om opvang en leefgeld. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en gesteld dat eisers opvang kan krijgen in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat opvang in een VBL geen passende voorziening is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheid om te worden uitgezet illusoir is. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding om niet van eiseres te verlangen dat zij gebruik maakt van opvang in een VBL. Evenmin volgt uit de door het ECSR getroffen ‘immediate measure’ en de uitspraak van het ECSR van 1 juli 2014 dat verweerder gehouden is aan eiseres opvang te bieden. Het is aan de Nederlandse staat te bezien of, en zo ja, welke maatregelen er genomen moeten worden naar aanleiding van de uitspraak van het ECSR.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/16831

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1991], van Somalische nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. J. Klaas),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres 25 april 2014 om opvang en leefgeld afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Salad Mohammed.

Overwegingen

1. Eiseres is een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf. Zij heeft verweerder verzocht om opvang en leefgeld omdat zij een kwetsbare vrouw is. Eisers stelt dat zij op 17 september 2014 uit het AZC in Ter Apel is gezet. Zij verblijft in opvanghuis Huize Agnes, maar deze opvang kan ieder moment ophouden.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres afgewezen, omdat het onderdak waar zij om verzoekt voorhanden is. Eiseres kan zich melden bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) voor onderdak in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Het verblijf in een VBL gaat gepaard met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 56 van de Vreemdelingenwet (Vw). Essentieel onderdeel van het onderdak in de VBL is het werken aan vertrek. Uit de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vloeit voort dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf een wettelijke plicht hebben om Nederland te verlaten. Juist om hun terugkeer te kunnen organiseren biedt Nederland deze vreemdelingen de mogelijkheid om tijdelijk onderdak te krijgen in de VBL, waar de DT&V hen ook kan ondersteunen bij het organiseren van het vertrek. Verweerder heeft gesteld dat hij gelet op de feitelijke aanwezigheid van opvang in een VBL heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht, zodat geen aanleiding bestaat om eiseres een andere vorm van opvang te bieden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, als terugkeer naar het land van herkomst van eiseres buiten haar toedoen niet mogelijk blijkt, kan worden bezien of eiseres op die grond in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij als kwetsbare vrouw, afkomstig uit een door Al-Shabaab gedomineerd gebied in Somalië, op zijn minst bed, bad en brood zou moeten krijgen op grond van mensenrechtelijke verplichtingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Europees Sociaal Handvest (ESH). Verweerder heeft de feiten niet zorgvuldig afgewogen en het bestreden besluit niet goed ongemotiveerd. Eiseres is al eens uit de VBL in ter Apel gezet omdat terugkeer niet mogelijk bleek. De voorziening waar verweerder naar verwijst is daarom feitelijk niet voorhanden. Eiseres heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:86) en 24 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:722), de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328) en de uitspaken van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2164) en (ECLI:NL:GHSGR:2011:BO9924). Uit deze jurisprudentie volgt dat verweerder kinderen die niet rechtmatig in Nederland verblijven niet op straat mag zetten. Volgens eiseres moet deze lijn gelet op de ‘immediate measure’ van het Europese Comité voor Sociale Rechten (ECSR) niet alleen voor kinderen gelden, maar ook voor meerderjarige niet rechtmatig in Nederland verblijvende personen.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat in een VBL wordt voorzien in onderdak, voedsel en verzorging indien sprake is van medische problematiek, zodat verweerder daarmee voldoet aan een eventueel op hem rustende zorgplicht. Dat deze vorm van onderdak gepaard gaat met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel en dat verweerder in dit verband van een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling vraagt om mee te werken aan zijn uitzetting acht de rechtbank in beginsel niet onredelijk. Op hem rust immers de plicht om Nederland te verlaten.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het geval van eiseres anders over te oordelen. Het betoog van eiseres dat opvang in een VBL voor haar geen passende voorziening is, nu er geen zicht bestaat op uitzetting en de aan haar geboden opvang daarom snel zal eindigen, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheid om te worden uitgezet illusoir is. Dat eiseres eenmalig - op 17 september 2013 - uit de VBL in Ter Apel is gezet nadat zij zonder resultaat had gewerkt aan vertrek is hiertoe onvoldoende. Het ligt in de rede dat eiseres, als zij meent dat zij buiten haar toedoen niet kan terugkeren naar het land van herkomst, een aanvraag doet voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.

6. In wat eiseres verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank evenmin aanleiding om niet van haar te verlangen gebruik te maken van opvang in een VBL. Uit de omstandigheid dat de Hoge Raad in het door eiseres genoemde arrest van 21 september 2012 heeft geoordeeld dat minderjarige vreemdelingen recht hebben op opvang in een gezinslocatie, ook als hun ouders niet meewerken aan uitzetting, volgt niet dat meerderjarigen recht hebben op opvang als zij niet meewerken aan hun uitzetting. De Staat heeft immers een bijzondere verantwoordelijkheid ten opzichte van minderjarigen die zich op zijn grondgebied bevinden, mede omdat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor gedragingen van hun familieleden. Evenmin volgt uit de door het ECSR getroffen ‘immediate measure’ en de inmiddels bekend geworden uitspraak van het ECSR van 1 juli 2014, gepubliceerd op 10 november 2014, dat verweerder thans gehouden is aan eiseres opvang te bieden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de voorzitter van de ABRvS bij uitspraak van 3 maart 2014 (zaaknummer 201311408/2/V3, www.raadvanstate.nl) verweerder heeft gevolgd in diens oordeel dat een ‘immediate measure’ van het ECSR niet juridisch bindend is en dat hier geen rechtstreekse aanspraken aan kunnen worden ontleend. De uitspraak van 1 juli 2014 houdt een aanbeveling in aan het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers kan vervolgens een aanbeveling doen aan de Nederlandse staat of een resolutie aannemen over welke actie naar aanleiding van de uitspraak moet worden ondernomen. Het is derhalve aan de Nederlandse staat te bezien of, en zo ja, welke maatregelen er genomen moeten worden. Vreemdelingen kunnen geen rechtstreekse rechten ontlenen aan de uitspraak van het ECSR.

7. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder eiseres ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarprocedure. Gelet op de maatschappelijke discussie, de ontwikkeling in de rechtspraak en gezien de feiten die bij de aanvraag zijn gesteld, kan van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake zijn.

8. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat van het horen in bezwaar kon worden afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift. Hierbij is van belang dat uit de inhoud van het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met de motivering van het primaire besluit, al aanstonds bleek dat de bezwaren van eiseres ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. In wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiseres te horen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb was verweerder niet gehouden om eiseres in de bezwaarfase te horen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.