Vreemdelingenrecht

Bewaring – art 59 lid 1 onder a Vw - ongegrond – onderduikrisico – lichter middel

Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.61761
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31606
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring – art 59 lid 1 onder a Vw - ongegrond – onderduikrisico – lichter middel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.61761


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Appia),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Volker).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [tolk 1] en [tolk 2] als elkaar opvolgende tolken en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting kenbaar gemaakt dat hij verhinderd was om op de zitting te verschijnen. Hij heeft op 22 oktober 2026 schriftelijk beroepsgronden ingediend, waar verweerder dezelfde dag schriftelijk op heeft gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 oktober 2026.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring achterwege blijft of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Grondslag van de ophouding

2. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Verweerder heeft eiser namelijk in de maatregel van vreemdelingenbewaring tegengeworpen dat eisers identiteit niet vaststaat en hij onvoldoende medewerking verleend aan de vaststelling daarvan. Verweerder had de ophouding dan ook moeten baseren op artikel 50, tweede lid, van de Vw.

3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de ophouding en overbrenging de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2026 blijkt dat eiser aan de politieagenten een verblijfsdocument heeft overgelegd waarop zijn naam, v-nummer en geboortedatum vermeld staan. Op basis van deze gegevens kon eiser worden gevonden in de systemen en kon worden vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Verweerder mocht ook deze gegevens als uitgangspunt nemen bij de ophouding. Verweerder heeft de ophouding dan ook terecht gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw. De omstandigheid dat bij de overbrenging en ophouding de gegevens over de identiteit die zijn verkregen in het kader van zijn strafrechtelijke aanhouding tot uitgangspunt mogen worden genomen, betekent verder niet dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

- a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.

- c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.

- h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.

- j) een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft

ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond.

- r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

- s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Verweerder heeft grond j laten vallen, zodat deze niet meer aan de maatregel ten grondslag ligt.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a en b feitelijk juist zijn. Deze gronden zijn samen reeds voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen en daaruit het risico op onderduiken af te leiden.

Lichter middel

8. Eiser voert tot slot aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Niet is gebleken dat eerder een meldplicht aan eiser is opgelegd en dat hij zich niet aan deze meldplicht heeft gehouden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend zou zijn. Verweerder is bij deze beoordeling namelijk niet ingegaan op eisers specifieke situatie. Eiser heeft contact met Vluchtelingenwerk Nederland en zodoende is verweerder op de hoogte van eisers verblijfplaats.

9. Gelet op de gronden van de maatregel bestaat er een risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en zijn vertrek belemmert of ontwijkt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.

Ambtshalve toets

10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is geweest.

Conclusie

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond.

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw). artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. artikel 59c van de Vw. artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraken van 17 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL4701 en de uitspraak van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134. artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.