Vreemdelingenrecht
Vreemdelingenbewaring, medewerkingsplicht. Eiser werkt niet mee aan zijn uitzetting en stelt dat mitsdien…
Rechtbank Den Haag, 15 april 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:5734 · Rechtbank Den Haag · 15 april 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2014-5734
Zaakgegevens
Op 15 april 2014 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 15 april 2014
- Datum publicatie
- 9 mei 2014
- Zaaknummer
- SHE 14/7709
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2014:5734
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vreemdelingenbewaring, medewerkingsplicht.
Eiser werkt niet mee aan zijn uitzetting en stelt dat mitsdien geen zicht op uitzetting bestaat. Uit de beroepsgronden valt het ongenoegen van (de gemachtigde van) eiser op te maken over de jurisprudentielijn die de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in dezen hanteert.
Rb verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling. Zie o.m. 13 juni 2008, 200803407/1,
23 april 2009, 200901771/1/V3, 1 april 2010, 201001117/1/V3, 17 januari 2014, 201310014/1/V3, en van 10 april 2014, 201401941/1/V3. De rechtbank werpt (de gemachtigde van) eiser tegen dat hij zijn standpunt over de jurisprudentielijn van de rechtbank slechts “kaal” poneert en dit niet nader onderbouwt.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/7709
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2014 in de zaak tussen
[eiser], van Kameroense nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.
Procesverloop
Op 21 januari 2014 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 10 februari 2014 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank het eerste beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.
Op 1 april 2014 heeft eiser beroep ingesteld tegen de voortduring van de maatregel.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 2 april 2014 een voortgangsrapportage uitgebracht. Eiser heeft hierop gereageerd bij fax van 4 april 2014.
De rechtbank heeft het vooronderzoek 8 april 2014 gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft het onderzoek heden gesloten.
Overwegingen
Eiser stelt dat hij niet wenst mee te werken aan zijn uitzetting. Hij betwist voorts dat er een (afdwingbare) plicht tot medewerking aan zijn uitzetting bestaat. Nu zijn medewerking onontbeerlijk is voor een succesvolle uitzetting en hij deze medewerking dus niet verleent, ontbreekt volgens eiser het zicht op uitzetting.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komt naar voren dat van een vreemdeling die in bewaring verkeert mag worden verwacht dat hij de volledige, actieve en voor zijn uitzetting noodzakelijke medewerking verleent. Verwezen wordt in dit verband onder meer naar de uitspraken van 13 juni 2008, 200803407/1,
23 april 2009, 200901771/1/V3, en 1 april 2010, 201001117/1/V3. Deze lijn is zeer recent nog bevestigd in de uitspraken van 17 januari 2014, 201310014/1/V3, en van 10 april 2014, 201401941/1/V3. Het beginsel dat eiser zijn medewerking dient te verlenen, maakt niet dat de voortduring van de bewaring als een maatregel met een punitief karakter moet worden aangemerkt.
De rechtbank maakt uit het beroepschrift op dat eiser van mening is dat de rechtbank het recht op dit punt stelselmatig onjuist interpreteert en/of hanteert. Van (de gemachtigde van) eiser mag in dit verband verwacht worden dat hij dit standpunt niet slechts “kaal” poneert, maar dat hij dit onderbouwt aan de hand van bijvoorbeeld (inter)nationale jurisprudentie, relevante wetsartikelen of rechtswetenschappelijke literatuur.
Het beroep is ongegrond. Voor een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A.J.M.E.P. d’Elfant, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 april 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.