Vreemdelingenrecht

verzoek vrijstelling griffierecht, verzuim, lijfsdwang Allereerst zal de rechtbank een oordeel gegeven inzake…

Rechtbank Den Haag, 3 maart 2014

Zaakgegevens

Op 3 maart 2014 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
3 maart 2014
Datum publicatie
26 mei 2014
Zaaknummer
13/28883
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2014:6469
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

verzoek vrijstelling griffierecht, verzuim, lijfsdwang

Allereerst zal de rechtbank een oordeel gegeven inzake het verzoek van eiser om vrijstelling van betaling van het griffierecht van eiser. De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser door het niet betalen van griffierecht in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege dient te blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen eiser bij brief van 21 januari 2014 heeft aangevoerd, met name het feit dat eiser lijfsdwang heeft ondergaan omdat hij de opgelegde ontnemingsmaatregel niet had betaald, dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser door het niet betalen van griffierecht in verzuim is geweest. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/28883

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] [eiser] ,

geboren op [geboortedatum],

van Surinaamse nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. J. Bennekom),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hanje).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 april 2013 tot opheffing van de ongewenstverklaring ingewilligd. Tevens heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren.

Bij besluit van 7 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de ingangsdatum van de opheffing van de ongewenstverklaring, ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Allereerst zal de rechtbank een oordeel gegeven inzake het verzoek van eiser om vrijstelling van betaling van het griffierecht van eiser. De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser door het niet betalen van griffierecht in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege dient te blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen eiser bij brief van 21 januari 2014 heeft aangevoerd, met name het feit dat eiser lijfsdwang heeft ondergaan omdat hij de opgelegde ontnemingsmaatregel niet had betaald, dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser door het niet betalen van griffierecht in verzuim is geweest. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

2.

Eiser heeft aangevoerd dat de ongewenstverklaring met ingang van 19 januari 2009 had

moeten worden opgeheven, vanwege de inwerktreding van Richtlijn nr. 2008/115/EG ( de Terugkeerrichtlijn). Eiser doet een beroep op het arrest Filev en Osmani van het Hof van Justitie van 19 september 2013 (C297/12).

3.

De rechtbank stelt vast dat eiser, zoals ook in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 januari 2014 is overwogen (ECLI:NL:RBOVE:2014:520), reeds in de aanvraagprocedure van 9 maart 2011 tot opheffing van de ongewenstverklaring heeft betoogd dat de ongewenstverklaring met ingang van 19 januari 2009 had moeten worden opgeheven, vanwege de inwerktreding van de Terugkeerrichtlijn met ingang van die datum. Aangezien op deze aanvraag onherroepelijk is beslist, staat dat betoog thans niet meer ter beoordeling. Nu eiser niet heeft weersproken dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden sindsdien en verder geen gronden tegen de ingangsdatum van de ongewenstverklaring heeft gericht, is het beroep ongegrond.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van K.M.C. Zijlstra-van Middelkoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.