Vreemdelingenrecht
mondelinge uitspraak, Dublin Tsjechië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, 3.6a, tweede lid, van het Vb…
Rechtbank Den Haag, 9 december 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:15140 · Rechtbank Den Haag · 9 december 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2016-15140
Zaakgegevens
Op 9 december 2016 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 9 december 2016
- Datum publicatie
- 13 december 2016
- Zaaknummer
- NL16.3549
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2016:15140
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
mondelinge uitspraak, Dublin Tsjechië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, 3.6a, tweede lid, van het Vb, 6.1e, tweede lid, van het Vb
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL16.3549
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 december 2016 in de zaak tussen
[naam], eiseres,
gemachtigde: mr. M. Drenth,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig N. Jesajan, tolk in de Armeense taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. Niet langer in geschil is dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) de asielaanvraag van eiseres aan zich had moeten trekken.
3. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat Tsjechië dat niet doet. Eiseres is hierin niet geslaagd. Eiseres heeft zelf verklaard niet in Tsjechië te zijn geweest, heeft daar derhalve ook geen problemen ondervonden. Het door eiseres overgelegde rapport van Amnesty International van 24 februari 2016 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de aanwezigheid van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang en asielprocedure in Tsjechië, nu dit ziet op de omstandigheden in één detentiecentrum.
4. Verweerder heeft een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid bij de vraag of de humanitaire clausule moet worden toegepast. Verweerder maakt daar volgens zijn beleid terughoudend gebruik van. Verweerder heeft de door eiseres aangevoerde medische omstandigheden en het gestelde slachtofferschap van mensenhandel niet zodanig bijzonder hoeven achten dat toepassing van deze humanitaire clausule is aangewezen. De uitspraken waarnaar is verwezen in beroep leiden niet tot een ander oordeel, nu het daarin niet om de Dublinprocedure gaat.
5. Voorts staat ter beoordeling of verweerder ten onrechte eiseres niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning heeft verleend, nu eiseres stelt slachtoffer te zijn van mensenhandel. Dit betoog faalt. Bij afwijzing van een eerste asielaanvraag kan verweerder alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning verlenen, maar niet als een asielaanvraag niet in behandeling is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 3.6a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
6. Tot slot is de vraag of verweerder ten onrechte niet ambtshalve artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft toegepast. Ter zitting heeft verweerder in dit kader terecht gewezen op artikel 6.1e, tweede lid, van het Vb waarin is bepaald dat in Dublinzaken geen beoordeling plaats vindt op grond van artikel 64 van de Vw. Eerst bij daadwerkelijke overdracht van eiseres kan worden beoordeeld of eiseres fysiek in staat is te reizen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 9 december 2016.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.